Over de dubbele a en de Griekse eta

door Drs. P

Uit: De Gids jaargang 147 nr. 8/9/10, 1984

Wie twee of meer onderwerpen in een titel verenigt, impliceert een verband - overeenkomst, causaliteit, tegenstelling - of op zijn minst een interessant verschil. Een artikel met het opschrift Over orgelmuziek en de cholera kan beter ongeschreven blijven.
Lijkt de dubbele a op de èta? Meer dan op de u bijvoorbeeld, of de t. Komt aa voort uit η? Daarover aanstonds. Elkaars tegengestelden zijn ze stellig niet.
Het Duits kent geen η-klank. In het Nederlands kennen we het tussenwerpsel dat, mits lijzig of smalend gedebiteerd, de η zuiver weergeeft. Frans is goed voorzien van η-fonemen, Engels heeft ze ook wel. Spaans niet; Italiaans evenmin, denk ik. Laten we eens zien of we significante woordparen ontdekken met η en aa als dominerende klinkers.

aile (vleugel, Fr.) ala (Lat.)
clair (helder, Fr.) klaar
frère (broeder, Fr.) fra (Ital.)
hair (haar, E.) haar
mère (moeder, Fr.) ma
pair (paar, Fr. en E.) paar
spare (spaar, E.) spaar
stare (staar, E.) staar
where (waar, E.) waar

Aardig maar onbelangrijk. De lijst zou kunnen worden uitgebreid - het Engelse bare is verwant aan ons adjectief baar, om maar iets te noemen - zonder dat de rol van het toeval daarmee was uitgeschakeld. Als we onze tijd niet beter konden besteden, zouden hier pagina's volgen met woordparen als zèle-zaal en share-schaar, om aan te tonen hoe weinig η en aa taalkundig met elkaar te maken hebben.
Talen, althans die waar we het nu over hebben, bestaan uit woorden. Woorden dienen in het algemeen voor uitdrukking, meestal ook overdracht van gedachten en gevoelens. Overdracht is slechts mogelijk wanneer de andere partij vertrouwd is met de eraan toegekende betekenis, met andere woorden als men weet wat een Fransman bedoelt met dégueulasse, een Vlaming met vest. Aan de klank is dat niet te horen - aan de letters niet te zien.
Maar alle talen beschikken ook over woorden die zelfstandig descriptief zijn. Nu wordt het interessant. Deze heten onomatopeeën, en geven geluiden weer.
Een aantal geluiden is wijd en zijd bekend: geblaf, gemiauw, gekletter, gepiep... Alleen de Nederlandse taal noemt een hond hond, maar diens taal is universeel en van alle tijden. Het schoothondje van Maria Stuart kefte niet anders dan dat van Indira Gandhi, durf ik wedden. Een paus die thuis een bord op een stenen vloer laat vallen, vangt datgene op wat soms in de keuken van een Braziliaans jongensbordeel te horen is. Als u Johannes Paulus ii tijdens zijn bezoek hier even apart neemt om hem te vragen hoe het klinkt wanneer een bord met kracht op de vloer in de keuken van een jongensbordeel te Rio de Janeiro terechtkomt, zal hij u niet alleen graag te woord staan, joviaal als hij is-hij zal u dit ook duidelijk maken door weergave van het geluid. Mogen we toch aannemen. Nu wordt het verbluffend. Onomatopeeën voor aan plaats noch tijd gebonden geluiden verschillen veelal van land tot land, en niet zo weinig ook.
Neem de proef. Ik zal het u gemakkelijk maken. Zoek geen kerkvorst op, maar een gewone Fransman - een maaglijder bijvoorbeeld - en stel hem de hierboven beschreven vraag. Zijn antwoord luidt gegarandeerd: ‘Rataplan.’
Rataplan. U mag wat mij betreft een 128-delig servies tegen uw eigen keukenvloer slingeren, en geen bord, schaal of kom zal zoiets zeggen als rataplan, zelfs niet met een Nederlands accent.
Als het gesprek hierover met uw proefpersoon doodgelopen is, zal hij u misschien attent maken op een dier dat als nationaal symbool hoog bij de Fransen staat aangeschreven, en informeren hoe deze vogel zich in Nederland pleegt te uiten. Uw ‘cul que le cul’ (grove taal, rommelige zinsbouw) maakt weinig kans op zijn beaming.
Daar treedt een Brit naderbij. De woordenwisseling is hem niet ontgaan, en hij moet tegen zijn gewoonte in een frog bijvallen. Natuurlijk zegt een haan zulke dingen niet; hij zegt instinctmatig: ‘Cock-a-doodle-doo.’
De Fransman en u kijken hem meewarig aan. Eerstgenoemde haast zich naar la campagne om de zaak nogeens exact na te gaan, en tot zijn voldoening blijkt dat de haan nog steeds cocorico roept, zoals het hoort en voor de hand ligt en in boeken wordt vermeld (Franse boeken - andere kent hij niet). De derde man ziet af van discussie over een paal boven water, die men trouwens in ieder bona fide dierengeluidenhandboek kan opzoeken.
Zou een Engelse haan weten waar zijn Gallische collega het over heeft? Zou hij een Nederlandse haan voor vol aanzien?
Engelse honden (bow wow!) verstaan Duitse (wau wau!), vinden echter dat Nederlandse zich maar beter met Franse (ouaf ouaf!) kunnen onderhouden.
Onder katten heerst meer eenstemmigheid. Ze miauwen bij ons (in Duitsland zonder w), ze miaow tegen Engelstaligen, en Francofonen horen hem miauler. In het Maleis (rijk aan en sterk in klankwoorden) heet hetmengèong.
Hier duikt de η weer op, de klinker die we ook bij geiten waarnemen (mè-è-è-è) en nog zuiverder bij het schaap. De letternaam bèta zou door dit dier ingegeven kunnen zijn. Als we tenminste aannemen dat Griekse schapen reeds lang voor de plaatselijke beschaving bèèè zeiden. Deze theorie is niet onbesuisd. Ook mogen we veronderstellen dat hun afstammelingen deze uitspraak aanhouden. Nederlandse schapen doen het in elk geval, en Franse plegen te bèler.
Vreemd dat borden en hanen hun landaard zo duidelijk kenbaar maken, en anderzijds katten, vuurwapens (pang! Pan! Bang!) en schapen daar weinig of geen boodschap aan hebben. Wat voor geluid maakt een Engelssprekend schaap? Dat weten we van Tommy Thumb's Pretty Song Book (ca. 1744) waarin het klassieke ‘Baa, baa*, black sheep,/ Have you any wool?’ afgedrukt werd.
Zo zien we dat er op één gebied-geografisch uitgestrekt, cultureel nederig-toch verband tussen de dubbele a en de Griekse èta bestaat. Door schapen zal dit stuk dan ook met aandacht zijn gelezen.



*
Wie in een stripverhaal schrikt of wreed behandeld wordt, roept AARGH! (of in ernstige gevallen AAARGH!, misschien zelfs AAAARGH!!) en verder is me in het Engels geen aa bekend