Privedomein

Eerst zie je het huis. In het donker vallen de zestien helverlichte ramen op - zeven op elke verdieping plus twee dakkapellen - en de triomfboog met spierwitte pilaren aan de deur. Bij de openingsscène maak ik aantekeningen (floraal behang, groen-rode rustieke keuken, televisie in elke kamer; decoratieve schrijftafels, boudoirs, chaises, voetenbankjes en gangkastjes; vazen en schilderijen in symmetrische paren, familiefoto’s langs de trap) maar eigenlijk hoeft het niet, ik ken dit interieur. 




Mijn fixatie op de binnenkant van woningen valt slecht te verdedigen. Ik weet alleen dat ik diep ontregeld raak van een AirBnB met vreugdeloos meubilair of kil licht, hoe dicht bij het historisch centrum of openbaar vervoer het ook mag zijn. Zonder te willen psychologiseren, zoek ik de oorzaak bij ons oude rijhuis in de Antwerpse diamantwijk. De vier smalle kamers met witte, korrelige muren, samen precies de maat van mijn ziel, hebben zich in mijn herinnering verdicht tot een oerklei. Dit is de habitat waar ik als wezen ben ontstaan. Op het koertje bloeiden vlijtige liesjes. Boven vulden mijn zusje en ik plus een rekje met eidooiergeel gordijn de kamer. Beneden stond nauwelijks iets. Piano, platenspeler, kachel - een ruimte van een zakdoek groot, die we desondanks doorkruisten met grand-écarts en pirouettes, lieten schallen met zelfverzonnen liedjes, en bedekten met papieren kastelen, jurken en schilderijen die een tijdje rondslingerden en dan ongemerkt plaats maakten voor nieuwe. 




Ik zag Home Alone voor het eerst toen ik een jaar of acht was, op een verjaardagsfeest - we hadden zelf geen televisie. Het bewegende beeld maakte indruk. Ik herinner me geen taart meer, spelletjes, of andere kinderen. Alleen dat huis op het scherm, waar een grotesk aantal kamers en verdiepingen zonder logisch verband aan elkaar hingen en tussen het gedrang van meubels, televisies, speelgoed, kerstversiering, doeken, poppen en gereedschap geen hoekje veilig leek om te schuilen voor de vreemde man achter het gloeiend rooster in de kelder, zijn ijzeren sneeuwschop breed genoeg om iemand mee dood te slaan. De nachtmerries begonnen meteen daarna. Het gordijn mocht niet meer open. Een oud t-shirt zat als een windel om mijn hoofd, maar zelfs dan was het schrapen van de schop over de stenen goed te horen. Mijn zusje, die drie jaar jonger was en bij me op de kamer lag, had ook haar angsten: een keramieken uil met brokkelige veren, gemaakt door onze grootmoeder. In het donker smolt het beest om tot een hoofd, de schouw werd een jas met hoekige schouders. Maar je hoefde je hand maar op de koude steen te leggen of het schaduwspel verdween. De jongen met de bolle ogen, achternagezeten in dat kolossale huis, bleef. 




Zodra ik in Brussel ging wonen, kopieerde ik de esthetiek van vroeger: witte muren, een paar kastjes, een bed, een plant. Op een zomeravond zaten mijn vader en ik op het balkon te aperitieven. Hoewel ik had gezworen na het laatste examen op de middelbare school nooit meer een woord Frans te spreken, was ik toch op een tweetalig kantoor beland. De Franstaligen bleken onweerstaanbaar. Drie kussen bij het binnenkomen, lange koffie-, eet- en kletspauzes, vergaderingen waar de orde van de dag naadloos overging op verhalen van een scheefgelopen adoptieprocedure of een nieuwe importateur van wijn uit de Elzas. “Er moet iets zijn in het universum,” zei mijn vader met een olijf in één wang, “dat ons leven net die kant opstuurt, die we uit alle macht proberen te vermijden.” Later, toen de sfeer op het werk omsloeg en de bazin me beneden zette om “vragen te beantwoorden van bezoekers” die nooit kwamen, in een verlaten gaanderij zonder daglicht of verwarming, kwam ik ‘s avonds met mijn woede bij de witte muur tot rust. 





Aan Home Alone dacht ik al lang niet meer. Ook niet tijdens mijn eerste weken in Amerika, toen ik bij mijn schoonvader en zijn derde vrouw in precies zo’n huis logeerde. Een droge mond hield me uit mijn slaap, jetlag, dacht ik. Of shock. De man die naast me lag en ik waren in een vlaag van romantiek getrouwd, na een roadtrip door Californië. En al kwam na die vlaag een jaar papierwerk, e-mails, advocaten, de ziekteverzekering, de belastingdienst, de bank, en maandenlang slopend afscheid van mijn zusje, ouders, vrienden en Brussel, ik was niet voorbereid op de praktijk: in slaap moeten vallen in dit nieuwe land. 
Ik had mijn schoonouders één keer eerder ontmoet in Amsterdam voor een vlugge koffie, terwijl ze op doorreis naar Tanzania waren. Hij was innemend, een gepensioneerde wetenschapper die goed kon vertellen, maar van haar kreeg ik weinig hoogte. Van de kamer die zij had ingericht, werd ik ook niets wijzer. Een groot bed met een stijf, donkerrood deken, strak ingestopt onder het voeteneind, en drie kussens in bijpassend bloem- en streepjespatroon per persoon. Nachtkastje, lamp, stoel. In de badkamer een stapeltje handdoeken, zeep- en shampooflesjes, een tandenborstel in een plastic wrapper. Misschien niet vreemd dat je een gastenkamer naar een hotel modelleert, maar beneden was het net zo. Ze had me een rondleiding gegeven. Meubels stonden in dramatische verwachting bij elkaar, een antieke Chinese kast, zetels in Lodewijk-XIV-stijl, een glimmende eettafel met nieuw overtrokken stoelen, en ook het boeddhabeeld en de Afrikaanse maskers leken klaar voor iets. Geen zetel stond opgesteld om te genieten van het uitzicht op de heuvels, of in de verte de Baai van San Francisco. Beleefdheidshalve gaf ik haar een compliment. Met een gebaar in de richting van de gordijnen vertelde ze me van de binnenhuisarchitect. “Fabulous guy”, de beste van de hele Bay Area. Na de rondleiding zag ik nooit meer iemand in die kamers, iedereen bleef in de keuken of bij de televisiezetel met de honden.





Ook al vonden mijn man en ik later een licht eenkamerappartement in de stad, de beklemming bleef. In een haast permanente staat van ongeloof en weerzin dwaalde ik door de wijk. Spandoeken met ¡No desalojos! No More Evictions! in kleurige letters hingen aan huizen waarvoor net een uitzettingsbevel was gegeven. Dakloze mannen duwden supermarktkarretjes vol plastic zakken voor zich uit. Sommigen schreeuwden over Jezus en de duivel, anderen leken te kijken zonder iets te zien. Artisanale bakkers, coffeeshops en fietswinkels perfectioneerden een masculien minimalisme met toonbanken, stoelen en zelfs lampen uit ijzer of beton. Ook ik vestigde mijn hoop op decoratie. Ik kocht een kamerplant met grote bladeren, een groen tapijt en kerstlichtjes. Toen kwamen de verkiezingen. Nog voor de uitslag bekend werd, ging mijn man naar bed. Ik schoot midden in de nacht de deur uit, liep wankel door de donkere straten, keek naar boven. In elk appartement waar het licht nog aan was, zaten groepjes mensen met grauwe gezichten voor de televisie. Er werden protestmarsen georganiseerd. Mijn man en ik liepen één keer mee, schreeuwend tot het bloed in onze wangen stond. De volgende dag was hij weer op het werk. Ik bleef thuis en her-organiseerde. De sjaal die mijn moeder had gekocht nog voor ik geboren was, drapeerde ik over de stoel. Het bureau ging tegen de witte muur. Aan het raam legde ik een kussentje zodat je naar de vogels in de boom kon kijken. ‘s Nachts werden we opgeschrikt door scheldtirades en winkelwagentjes die over de ongelijke straatstenen rammelden. Ondertussen werden onze gesprekken steeds korter. Vaak kon ik alleen maar beschuldigen, mijn mond strak, tot mijn man zonder een woord te zeggen de kamer uitliep om te gaan douchen, zo lang tot ik in slaap viel. 




Ik verhuisde naar een piepklein kamertje zeshonderd kilometer zuidelijker, in Los Angeles. Terwijl ik schreef, lag de poes te slapen op het klerenrek. De papyrus groeide als kool. De sjaal van mijn moeder hing over een tafeltje met daarop een 50 miljoen jaar oud fossiel van een vis, de graatafdruk foutloos als een bladskelet. Ik had eindelijk leren autorijden en baande me een paar keer per dag een weg - werk, supermarkt, yoga, bergen - door de hete, uitgespreide stad. In de beslotenheid van mijn derdehands Toyota Camry belde ik mijn man. We begonnen weer te praten. Eerst polsend, dan steeds langer, tot de schaduwen van de palmbomen langs de snelweg vervaagden in de roze, dan donkerblauwe lucht.



Tijdens deze glasnost vertelde ik hem over die eerste weken in mijn nieuwe land, toen we logeerden bij zijn vader en stiefmoeder. Zonder rijbewijs kon ik niet op eigen houtje weg: met de auto was het al twintig minuten tot de rand van het bos, en de heuvel was te glad en steil voor de fiets. In plaats van in mijn eentje naar de Italiaanse snackbar in het dorp te gaan voor koffie, bleef ik binnen. De verhalen van mijn stiefmoeder over haar school in Afrika en hoeveel de buren hadden bijgedragen op de fundraiser, kon ik knikkend doorkomen. Maar het waren de kamers die me uitholden. Ook als er niemand anders thuis was, voelde ik me geobserveerd. Wanneer mijn zusje belde en ik languit op een van de zetels kon gaan liggen, bleef ik bij de hoek van de tafel zitten, mijn kop thee op een glazen onderzetter. Het vlekkeloze vanillekleurige tapijt lag in stil oordeel terwijl ik een boterham at met cheddar en tomaat. De gepolijste kasten getuigden van mijn vette vingers, de ingelijste antieke manuscripten kaatsten elk idee dat ik probeerde op te schrijven terug als onder-ambitieus. Mijn man luisterde geduldig naar de steeds bredere gevolgtrekkingen over de invloed van levenloze voorwerpen. ‘s Avonds wentelde ik me samen met de poes in het zachtgele licht van mijn kamertje in Los Angeles, tussen de bladeren en de stapels boeken die de muur omzoomden.



Ik zie ook wel dat een gezellig interieur niets oplost. Toen op Twitter een video voorbijkwam van een zwarte man die gearresteerd werd omdat hij voor een vergadering in zijn eigen auto naar een meditatie-cd zat te luisteren, had ik me als vrijwilliger kunnen aanbieden bij een ngo in plaats van mijn notitieboekje vol te pennen met razernij over Amerika, de Goldbergvariaties op hoog volume. En mijn aangeboren nervositeit flakkert soms op tot maandenlange synaptische verwoesting, de witte muren en het liefdevol geselecteerde boeddhabeeldje ten spijt. Maar wie, voor die enige vierkante meters waar je als mens jezelf kan zijn, kiest er een protserig decor? Wie zit voor zijn plezier tussen de glimmende meubels te wachten op een gast om langs de kunst te leiden, een familielid dat haast niet in het strakgetrokken bed durft te slapen, of een buurman om je derde garage aan te laten zien?
Ik dacht weer aan mijn schoonouders. Aan tafel, terwijl mijn man de vis aansneed of sla opschepte, gaf zij breed glimlachend en net niet luid genoeg voor mijn hardhorige schoonvader commentaar op mijn huid, mijn gewicht. Vanuit haar ooghoeken peilde ze mijn reactie. Als iemand zich stoort aan puisten of dijen, kan ik welgemeend mijn schouders ophalen. Maar toen ze middenin een zin haar beringde vingers in de lucht liet hangen, zich naar me toedraaide en zei, “I was gonna say “exacerbate”, but you probably won’t know what that means”, moest ik zonder knipperen naar het plafond kijken tot mijn woede vanzelf verdampte. 




Een paar weken geleden zag ik dat de cinema om de hoek Home Alone draaide. Even overwoog ik een kaartje te kopen. Dan besloot ik de zwik te downloaden - Macaulay Culkin overleeft het vast. Toen het huis in beeld kwam - groot, glinsterend, gedoemd, noteerde ik Titanic. Daarna viel vooral op hoe vervelend iedereen was tegen elkaar. Grow a goatee. Excuse me, puke-breath. You’re such a disease. Line up and shut up! Als kind had ik geen categorie voor dit soort taalgebruik. Nu deed het me denken aan het schrale emotionele verkeer op legerkazernes, de beurs, het Witte Huis, waar wordt gepest ter entertainment en betaald voor lichaamswarmte. Met stijgende verbazing keek ik naar deze Amerikaanse kersttraditie. Only a wimp would be hiding under a bed. And I can't be a wimp. I'm the man of the house. Ik schoof de computer aan de kant om thee te zetten. Zuigend op een stuk chocola probeerde ik de twee huizen in elkaar te schuiven. Hoeveel keer had het onze in dat van Home Alone gepast, twaalf keer, vijftien? Met dichtgeknepen keel schreef ik elk detail op dat ik me herinnerde. Belletjessjaal, aftershave, Schubert, aapje, theepot. De mooiste kamer was die waar mijn vaders tekenplank stond. Als je op het krukje kroop, kon je de grote vellen ruitjespapier gladstrijken met de lat aan het elastiekje. Aan het plafond hing een lamp die zo rond was als de maan. Op de houten vloer stond een cello. 




Later hoorde ik van mijn moeder hoe het echt zat met de oerklei. Het hele jaar door was het er kil en donker. In de winter werden we gewassen in een teiltje voor de kachel en dan in opgewarmde pyjama en deken naar boven gedragen zodat we geen last hadden van het feit dat het binnen vroor. Er was geen centrale verwarming, geen badkamer, geen isolatie in de muren of behoorlijk slot op de deur—meer dan een kniestoot had je niet nodig om binnen te dringen. De buurvrouw liet zich ‘s nachts wel eens in onze kelder glijden, dronken, en kon maar met moeite overtuigd worden om naar huis te gaan. Een van de werknemers van de loods achter ons huis bracht zijn dagen masturberend door, glurend naar mijn moeder, en stopte gore briefjes in de brievenbus. Eén keer liep zij met zo’n briefje, een in twee gescheurde rekening van een mosselrestaurant, naar zijn baas. Die doorzocht de spullen in het kleedhok, vond in een jaszak de andere helft, en zette de man die dag nog op straat. “Toen voelde ik me natuurlijk helemaal veilig.” 





Wat ik zeker weet is dat mijn zusje en ik, op de rood-gele tegelvloer naast de keuken, een huis hadden gemaakt uit een grote kartonnen doos, beplakt met wit papier omdat dat beter schilderde. De ramen waren blauw, de voordeur groen. In mijn herinnering konden we daar in, misschien niet met tweeën tegelijk, maar toch om de beurt. En er was een poes die sliep terwijl wij knutselden, zwart geloof ik.