Voor Le Bataclan

Fabienne Rachmadiev was afgelopen zomer één van de Parijsgangers in het residentie-project van deBuren. De aanslagen in Parijs brengen haar terug naar Le Bataclan.




Le Bataclan, concertzaal, café, bar. Plek in Parijs waar mijn geliefde band Beirut wel eens optrad. Plek in Parijs waar ik één croque monsieur deelde met een ander persoon, eerste grote liefde. Geld hadden we niet, en hoefden we natuurlijk ook niet (en ja heel jong en heel gelukkig en ja dat allemaal). Plek in Parijs waarnaar ik met degene die de andere helft van de tosti voor zijn rekening nam, bij elk bezoek aan de stad wel even terugkeerde, al was het maar om die naam, met die vrolijke lettergrepen, hardop te kunnen zeggen. Zullen we nog naar? Is er een concert in?

En nu is het later en nu is het anders. Het is warm en het is zaterdagavond. Na omzwervingen heb ik datzelfde terras van Le Bataclan bereikt met een aantal andere Parijsgangers. De conversatie (boeken, chagrin d’amour, wie, wat, waar, wanneer) verspringt over tafeltjes en glazen en ik kan niet kiezen wat te drinken. Wat is hier neutraal om te kiezen? Pastis of wijn of bier? Dat ik niet meteen weer inwendig in de kreukels zal liggen om al die herinneringen die zich altijd (de hond die gaat liggen waar die wil) vrijpostig aan je opdringen? Ik wil meepraten, maar mijn hoofd gaat op slot. De hele dag hongerig op tocht door Parijs, nagedacht en me onwillekeurig dingen lopen herinneren.

Nu de geur van nachtval in zomer, dat breekt sowieso ieder verzet. If there is any substitute for love, it's memory schreef Joseph Brodsky. Het asfalt en de auto’s van de Boulevards Voltaire en Richard Lenoir. Op de stoep: mensenrumoer, zangerig Frans.

Ik excuseer me, ben zo terug, zeg ik, ik moet nog iets eten. En opwellende tranen verbijten en stiekem opvangen achter de geparkeerde auto’s van het tiende arrondissement. Ik loop wat rond, herhaal passen, herhaal express die passen, onze passen, totdat ik dat pakje tissues weer kan opbergen. Ik beland in het parkje tussen de kruisende boulevards. Telefoon wel in hand, maar ik ga niemand bellen. Aan de overkant zie ik een klein Libanees eettentje en daar loop ik naartoe. Ik ben de enige die alleen is op dit tijdstip. Ik staar lang naar de kaart, kies iets. De twee vrouwen die er werken, praten en lachen met elkaar en ook ik krijg een glimlach van ze. Ik ga buiten op het pietepeuterige terrasje zitten, en als alle andere klanten weg zijn, zij ook. Het is half twee ’s nachts, er komt niemand meer voor een houmouswrap met gegrilde aubergine, de beste die ik ooit at.

Ik voel me op mijn gemak, zo alleen hier etend, leg niet eens mijn telefoon op tafel. Staar naar de volle zomerbomen in het donker, naar de rode witte gele blauwe groene lichtjes, zijdelings ook naar voorbijgangers, en af en toe naar de twee vrouwen die nu een sigaret opsteken en hun werk van de dag er bijna op hebben zitten. Hun haren in knotjes en een theedoek over de schouder. Ik luister naar hoe hun Arabisch klinkt, en dan weer hun Frans, veel gul gelach strooien ze erdoorheen. De troost van vreemden, maar ik had ze graag voor tantes aangezien en zo gebruik ik ze ook, doe net alsof ik hier in iemands keuken zit, die voor mij zorgt en een bord warm eten voor mijn neus schuift.

Ik probeer me de tekst van La Javanaise - ook door Beirut wel eens gezongen- te herinneren.


Nous nous aimions,
le temps d’une chanson.


Ik sta op, wens mijn tantes goedenacht, loop terug naar het terras van Le Bataclan, schuif aan, meng me in het gesprek (literatuur, liefde), drink, lach.



Deze tekst is een addendum op het essay dat Fabienne Rachmadiev schreef voor Mais, Oui Paris!, het residentieproject in Parijs van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren.