Zandman

door Lucy Arts

Vandaag een nieuw verhaal in de serie Seks als Kunde, geschreven door Lucy Arts van wie niet lang geleden de roman Weiniger verscheen (zie hier een bespreking), en wat voor een verhaal: een wonderlijke tekst met een heerlijk einde.

Ze fietst naar het water, haar wangen heet in de wind, haar benen de natuurlijke aandrijving voor de opwekking van zijn beeltenis: de volheid van zijn zacht ontstelde gezicht. Haar handen omvatten losjes het fietsstuur, maar zoals altijd, waar ze ook zijn en wat ze ook doen, nu ook volgen ze de contouren van zijn grote, beetje vreemde hoofd. Zo verrukkelijk groot is het. Zo bleek, en bloot. Het kan zo kijken, dat hoofd, het kijkt van boven zijn tors met grote witte schrik de ruimte in.

Hij had haar niet gezien, hij boog af naar links, liep het eerste perron op in de richting van de stationshal, in plaats van op haar af, naar de plek bij de doorgang naar het plein die ze hem beschreven had. Zij had hem wel herkend, hij droeg een leren hoed. Hij was hoog, stak boven de meesten uit in de menigte die met dezelfde trein gekomen was. Hij droeg die hoed om zijn hoofd te beschermen tegen de kou en zijn hoofd en ogen tegen de hitte en het licht van de zon, nergens anders om. Ze kon het zien aan de vrije inzichzelfbeslotenheid van zijn gestalte.

Ze liep hem na over het perron, westwaarts. Een anonieme uitroep van dichtbij stak een angel in haar oren. De rest was stilte, in haar fixatie op die ene zware figuur. Zijn tred was voor het zand bestemd, zo vast en behoedzaam was die, zo moeiteloos nu hij over harde, vlakke bodem ging. De man leek zichzelf te dragen. Gestalte en gang, ze had er in de achtervolging vrij zicht op, ze pasten bij wat ze voorvoeld had. Een digitale plons in haar ogen was hij geweest, vanaf die ene kleine foto, een duik in haar schoot.

Grote stappen nam ze om hem in te halen, het moment van aantikken een scheve sprong in de innerlijke ruimte.

Hij bleef staan, draaide zich voorzichtig om, sprak niet, nam meteen haar hand. Omvatte haar vingers bij het geconcentreerd wandelen naar haar huis. Hij bleef voor zich kijken, antwoordde dat zijn kalmte schijn was.

Thuis, tegenover hem staand in de woonkamer, wist ze zich geen raad met haar beven, dit driest autonome van haar lijf, de trillende snaar die ze plotseling was, een ding zonder zeggenschap. Uit verwarring daarover keek ze weg, maar hij zei ‘Kom maar hier… ik denk dat ik je even vast moet houden...’ Ze liet zich bedelven onder een warm pak, verdween in de weelde, ging ademend onder. En kwam weer boven, nam zijn hand, leidde hem de trap op. Er was geen barrière tussen hen, er was geen twijfel. Haar zwijgen omspoelde hem, zij liet zich door zijn stem bestrooien.

In hun pas-ontloken eenheid was hun naaktheid ongerept. Hun seks was behoedzaam, een beschroomd thuiskomen.

Na afloop van hun broze verkenning van elkaar had hij zich gedoucht en aangekleed. Hij at niet van zijn broodje met boter en kaas, dat ze had gesmeerd omdat hij terug naar Limburg moest, zo’n eind nog naar huis, naar zijn vrouw. Eten is niet belangrijk, zei hij, deze beetje dikke man. Hij keek met sper-ogen haar richting uit.

Toch maar het aangeboden broodje gegeten, staat hij op van zijn stoel. Opwaarts gaat zijn zware bips die zonet nog zat en even daarvoor bloot en breed genesteld was in de milde kuil van haar matras, zijn lijf een gloeiend eiland dat haar droeg. Hoe was ze daar beland, op dat eiland, was haar lichaam uit zichzelf opgeklauterd naar de warmte van zijn huid? Had haar lichaam zich, terwijl ze naast hem lag, als een slang over het laken omgekruld en was ze zo met haar neus naar zijn voeten opgeschoven, wang tegen zijn kuit, had ze zich daarna ópgeduwd, óp naar zijn buik om zich in haar volle lengte ruggelings op hem uit te strekken? was ze daarna, toen ze eenmaal languit op hem lag, zomaar zelf verder doorgeschoven, met haar billen naar zijn borst? en had ze uit zichzelf haar benen in een V ter weerszijden van zijn hoofd gelegd, tastend… in gezwegen samenspraak…? Of had ze gevraagd mag ik op je liggen en had hij vervolgens ja gezegd…? Had hij haar uitgenodigd tot deze durfligging, misschien haar met handen geholpen…?

Nu, na het broodje, staat hij naast de keukenstoel. Met in de ogen de blootste weerloosheid, verlorenheid, angst. Plotseling. Enkel zieledompeling. Geen plaats voor diepte van gedachten, de tijdelijkheid daarvan. Knikkers van ogen, nieuwe, ongeschonden knikkers. Ze kan er binnen kijken, diep door iris en pupil de verte in de oogbal zien. En boven alle materie uit, nee, als een roepen erdoorheen, maar zonder appèl, die weerloosheid en vrees, met daarin vervat de herinnering aan alle eerdere weerloosheid en vrees, al dan niet bewust gezien. Ieder aspect ervan was bewaard, en werd nu in het lichaam vrijgegeven, omdat nieuwe vrees erom vroeg. Ze heeft zicht op deze lossing, zonder dat iets haar wordt geopenbaard. Voor haar is er alleen het onbepaalde totaal.

Ze zit tegenover waar hij staat. Zwijgzaam. Hij staat naast zijn stoel en zegt ‘Ik wil bij jou blijven…’. Daar loopt hij naar de gang. Stil verheft ze zich en loopt ze met hem mee. Hij trekt zijn jas aan, neemt zijn tas op, zijn rugzak. Zijn hoed gaat naar zijn hoofd. Ze kan er bijna met haar mond omheen, om zijn hoofd, bijna, net niet, ze is een reuzemoeder, ze neemt hem in haar mond zoals een vis haar jongen in de bek vervoert. Zodat hij, bij haar verstopt, verborgen voor het eisen van de wereld, een droog en warm en veilig plekje krijgt. Af en toe opent ze haar lippen om wat licht en zuurstof toe te laten, al is dat niet echt nodig, want ook in haar schemerduister heeft hij vrede, haar hart geeft kalmte af, hij neemt haar ritme aan, laat zich wiegen, haar huig zijn steuntje in de rug. Kijk hem eens schommelslapen op haar tong, zo vredig de glimlach. De dunne huid van haar wangen zeeft het licht tot een rood dat je krijgt als je de kleuren van vlammen zou vermengen en bewaren, het rood van universele koestering.

Hun samenzijn was natuurlijk. Daarstraks (nu, later, steeds weer terug naar het moment van samen liggen), nog maar net in bed, ternauwernood uitgestrekt, hij naast haar, licht gekanteld naar haar toe, is hij verbaasd over haar schroom. Ze ligt zo stil schuin onder hem, ze is zo afwachtend, ze ademt zo klein. Hij praat tegen haar in korte geruststellende zinnetjes, hij zegt dat ze niks hoeft, dat ze alles mag krijgen, dat ze mag krijgen wat ze vraagt. En voorzichtig zoekt hij toegang. Hij zegt dat hij er wel van huilen kan, haar ingehoudenheid, haar vrees, hij voelt hoe lichaamseigen die is, hoe heel vroeg in haar leven al verworven. Hij zegt: ze is zo zacht, zo fijn, ze hoeft niks, en ze mag alles, en verder schuift hij op, steeds een beetje verder. Hij praat en ontsluit haar. Bij een ander zou ze denken aan berekening. Misschien verstarren. Niet bij hem. Het is de onschuld van zijn wezen. Ze kan daarin geloven. Steeds verder schuift hij in haar op. Voorzichtig. Steeds een stukje meer. Tot ze beiden stil zijn en hij diep in haar rust, en zij vanzelf in hem.

De stille dynamiek van het rondgaan, zijn vol-ontspannen tong, haar eigen benen, haar vingers die zijn hoofd boetseren. Door het water gaat ze, zwemt ze, trapt ze, ze schiet als een projectiel door het vrije element. Altijd alleen is ze hier, samen met vier soms vijf zwanen en -vandaag- zo’n honderd meerkoeten, verspreid, in groepjes ver weg en dichtbij. Het is gaan regenen, ze is naakt, ze speelt voor kikker, vanzelf trekt ze haar armen en benen in en zakt zo onder het oppervlak, met hoofd en al, dan strekt ze haar lichaam uit, reikt ver naar voren, de handen instinctief elkaars houvast, ze schopt haar benen weg, krachtig, vrij. Ze ziet haar armen opwaarts gaan, ongehinderd schuin omhoog, de handen aaneen, zo bleekroze van aanschijn, met kleurloos dode nagels, en vlak voor het bovenkomen, bij het vaneen gaan, hun poederfijne weerschijn in de glans van het oppervlak. Daaronder het vrijwel ondoorzichtige geelgroen, doorsneeuwd met smaragden vlokjes. Planten strekken zich opwaarts uit; verstrooid, op plaatsen van enkele meters in doorsnee, wachten ze haar op. Waar de planten zijn wordt van bovenaf de glans van het oppervlak door dofheid onderbroken, een ruwgeweven dofheid, ze ziet die van een afstand als ze goed kijkt, maar meestal kijkt ze niet goed en zwemt ze er geschrokken in. De stengels strelen haar met hun dunne takken, geselgerief, ze omvatten haar armen, benen, romp. Bovenaan, waar ze aan de lucht kunnen drogen, is hun blad hard, de kartels bekrassen haar huid. Met lichte afkeer ontdoet ze zich ervan, met beide handen, beide armen, spartelend.

Het einde van iedere zwemslag is een breken door woelig kristalnat, een ingaan tot de herrie van mens en machine die vanuit de verte tot haar komt. Met losjes gestrekte vingers, tere armen, gulle ogen, ontmoet ze de korte golven. Ze kantelt haar lichaam, drijft op haar rug, de oren onder het spattende laken. Het geluid van het droge is volledig afwezig. Niets is scherp, niets doet zeer. Haar hartslag hoort ze, haar ademhaling. Door haar zwembril beziet ze het bewolkte zwerk, de golven bespoelen haar ogen, ze is van gelei, ze laat zich languit liggen, ze houdt haar armen bij haar lichaam en beweegt ze daarna heel traag zijwaarts, steeds verder, steeds wijder, tot ze boven haar hoofd zijn en de handen elkaar raken, dan terug. Zo licht is ze hier…

Achterover ligt ze, haar langgewelfde rug over zijn verheven buik, het past precies. Haar armen hangen zijwaarts uitgespreid, lui, de handen open. Ze kan niet bij zijn hoofd, maar ze volgt er met de vingers van haar voorstelling de contouren van, dit hoofd, dat ze al zo goed kent omdat ze niet kan ophouden ernaar te kijken. Behalve nu, nu kijkt ze even niet, nu laat ze haar eigen hoofd gedraaid liggen en kust en belikt ze zijn lies, waar ze niet goed bij kan, hij ligt net te ver weg.

Met stille blinde vingers boetseert ze de brede kin en dan, heel bijzonder want ze zag het bij niemand eerder, via de kaak en de wangen de steeds verdere verbreding naar boven, naar zijn slapen. En dán nog het wijdere van de schedel. Het is precisiewerk. Haar vingers streelhakken hem uit. Nu eens hakt ze hem los uit rots, dan weer bouwt ze hem op uit klei. Haar vingers zijn zo ongerept als zij, ze strelen zijn wangen, ze laten zijn wangen de route bepalen.

Tot hij met zijn speeksel de voorstelling uitdooft. Ze wordt zo week en zwaar aan zijn mond, ze ligt op zijn zacht en vol ornaat, ze glijdt met haar lichaam zijn mond in, gaat kopje onder, ze ligt op zijn tong, en terwijl ze zich verder ontspant in zijn zijige natheid, opent ze haar schoot voor hem en laat hem ongehinderd binnen. Steeds wijder wordt de V, steeds dieper zakt ze naar hem toe, haar lichaam van vrouw, naar de oase van dat grote zware eiland dat haar draagt.

Ze fietst naar het water.

Haar eiland is daar.