In het hotel herhaalt zich het woud

Voor een nieuw boek reist schrijver Jan-Willem Anker naar het laatste oerbos van Europa in Polen, op zoek naar een plek die de mens met rust laat. Onderweg doet hij verslag voor DIG. Steeds weer stuit hij op tegenstellingen en paradoxen in de relatie tussen mens en natuur in dit tijdperk dat we voorlopig maar het ‘Antropoceen’ noemen. In deel 3 beschrijft hij hoe het voortbestaan van het bos eigenlijk aan de jacht te danken is, en bevindt hij zich in een bizar hotel.


Dat het natuurreservaat van Białowieża bestaat, een gebied dat al zeker honderden jaren min of meer hetzelfde is gebleven, met onder meer zomereiken, elzen, fijnsparren, zomereiken en haagbeuken, met talloze planten, schimmels, vogels en zoogdieren, hebben we te danken aan de liefde voor de jacht van koningen en tsaren, de heerschappij vierend van de mens over de dieren. Het natuurreservaat was eeuwenlang een jachtdomein.

Nog steeds is de jacht een belangrijk deel van de cultuur in Białowieża, op veel plekken word je daaraan herinnerd. De ‘żubr’, de Poolse naam voor de laaglandwisent, stierf uit aan het begin van de jaren twintig, maar door een succesvol fokprogramma is hij hier nog steeds te vinden. Dat de wisent eeuwenlang is opgejaagd en op een haar na aan uitsterven is ontsnapt, lijkt door niemand als een probleem gezien te worden. Het dier is een toeristisch embleem. Bij de kraampjes aan de ingang van het park kun je sleutelhangers, mokken en koelkastmagneten kopen met een afbeelding van de ‘żubr’.

Naar de ‘żubr’ is in het dorp ook een viersterrenhotel vernoemd, Zubrowka, met markante houtsculpturen van bizons die aan de voorzijde het gazon sieren. Er is ook een pils dat ‘Zubr’ heet, en dat ik me heb laten smaken om een nogal vette en vieze pizza mee weg te spoelen bij de pizzeria in Białowieża, het enige restaurant waar ik zonder veel moeite een vegetarisch gerecht kon bestellen. De cultuur van het woud kenmerkt zich behalve door de jacht uiteraard ook door de alomtegenwoordigheid van hout. Het hele dorp staat vol met karakteristieke houten huizen, de al te fraai beschilderde zijn van latere datum. ’s Avonds, als het al bijna winterachtig koud is, ruik je overal in het dorp de houtkachels.

De jacht is geritualiseerd geweld. Ook de houtkap kun je als een vorm van geweld beschouwen. Wat eerst leefde wordt gedood en na allerlei krachtsinspanningen uit het bos gesleept. Is geweld een constante van het bos? Onze gids Sylwia vond van wel. En ook in ons hotel kon je niet aan die indruk ontkomen.

Neem de eetzaal beneden die ook als receptie en lounge diende. Overdag was het er erg donker, vooral wanneer het regende had daglicht moeite om binnen te komen. Vloer, plafond, zitbanken, stoelen en tafels waren bruin en van hout. Op de tafels lagen mosgroene kleedjes met rozenmotief. De kat (‘boskat’, zei mijn vriendin Emke) klom geregeld op een van de tafels om zichzelf naast een suikerpot schoon te likken. Op de grond bevonden zich verschillende groene tapijten. De plafondlampen die zelfs ’s avonds zelden brandden (waarschijnlijk om de kosten te drukken) zijn nauwelijks te beschrijven: oranje kap bevestigd met kettingen, eronder koperen versiering van blaadjes en kabouters die een bel luidden.

Schaars licht, groen en bruin, zo herhaalde zich in het hotel het woud. Bijna alle voorwerpen verwezen direct of indirect naar de natuur waaruit hun materiaal afkomstig was.

Er was weinig vrije ruime beneden, aan de voorzijde van het pand vormde zich een pad dat van de receptie naar de gang met kamers leidde. Tegen de muur stonden enkele kasten met toeristische brochures en boeken, waaronder de biografie van Neelie Kroes en Moord in Toscane van Hélène Nolthenius. Op een tafel tegen het raam stonden twee imposante samovaars, Russische theekokers. Aan de wand hingen houten pendules, een grote, een kleine, plus een opvallend hedendaagse kalender met de afbeelding van een knuffelig kijkende zeehond, met zijn kop tegen het ijs gevleid. Boven de ingang prijkte een houten Jezus aan het kruis. Blikvanger was de gigantische, donkerbruine pluizige bizonkop aan de muur, ernaast een (zijn?) vacht tegen de wand gespijkerd. De żubr, daar was hij weer. Toen ik de kop aanraakte voelde hij zacht.



De televisie, een flatscreen die hoog op een houten vitrinekast met twee urnen erin was geplaatst, stond de hele dag aan. Altijd nieuwsprogramma’s met talking heads. Het was campagnetijd, onderweg zagen we overal verkiezingsposters en affiches. Omdat de rechts-nationalistische regeringspartij PiS de media beheerst, was ik blij dat ik er niets van verstond.

De oude man die ons ontbijt verzorgde volgde een groot deel van de dag die programma´s. Hij sprak geen Engels, we communiceerden met elkaar in het Russisch, een taal die ik zeer gebrekkig beheers maar voldoende om eenvoudige vragen te stellen en praktische zaken te regelen. Op een avond vroeg hij me te tolken voor een Israëlisch echtpaar dat op zoek was naar een kamer. De Israëlische vrouw complimenteerde me: ´Your Polish is really good!´

De meeste wanden waren helemaal bedekt met jachttrofeeën. Ze boden een vreemde aanblik: overal geweien, als lugubere kapstokjes.

Bij de open haard, ingelegd met donkergroene, geornamenteerde tegeltjes, was een zithoek gecreëerd die het begin vormde van het salongedeelte. Hier werd het ’s winters gezellig gemaakt! Een enorme kist was gevuld met hakhout, ervoor het hakblok zelf. Twee gestoffeerde stoelen waren voor een etagère met glaswerk neergezet. Erboven hertengeweien en een schilderij met een bostafereel van bomen en herten. Eén hertengewei was tot lamp omgevormd, ernaast de kop van een wild zwijn.

Aan de centrale muur in de salon hingen ook hertengeweien, vier stuks, maar deze staken nog uit hun witte schedel. Er was kerstverlichting overheen gehangen. Eronder kitscherige schilderijen, van een landweg, een riviertje, een jager. Er stond een schemerlamp met vogeltjes op de kap. Ook de achterwand in de hoek was bijna in zijn geheel volgehangen met hertenschedels, rondom een enorm gewei waar een kleine koperen jachthoorn aan bungelde. Een donkere secretaire was volgepropt met servies, kroezen en zilverwerk. Ook stond er een houten vleugelpiano met versierde poten. Eroverheen lag een gehaakt kleedje bezaaid, opnieuw, met geweien, als decoratie om een oude grammofoon, met een hoorn die als een groot oor uitstak. Achter een grote varen ontwaarde ik een schilderij van wat wel erg op een gekweld kijkende Beethoven leek. De beroemde componist zwierf door een symbolische woestenij.



Het succes van de jager wordt gevierd met de trofee die als herinnering blijft dienen aan het succes, het moment dat de jager zijn prooi te slim af was. Het lijf van de prooi dient als voedsel, de maaltijd is weer veiliggesteld voor een dag. De trofeeën vormen de trotse uitdrukking van de omgeving waarin de mens zich dankzij de jacht weet te handhaven, van een cultuur ook gekenmerkt door overvloed.

Al die geweien en opgezette dieren in het hotel deden me denken aan afgelopen zomer toen ik in Enschede met mijn gezin de Museumfabriek bezocht en het veel kleinere Natura Docet te Denekamp. In beide musea waren heel veel opgezette dieren te vinden, om de natuur dichterbij de bezoeker te brengen, ter lering en vermaak van jong en oud. Voor teerhartigen is met name Natura Docet een soort gruwelkabinet: er bevindt zich van alles in sterk water, de vitrines zijn volgepropt met opgezette dieren, door een taxidermist zo geprepareerd dat ze morsdood maar in een levensechte positie behouden bleven. En de collectie culmineert in een heuse freakshow: het pronkstuk is een opgezet kalf met twee koppen.

Mijn oudste vond het schitterend. Ik vroeg me wel af wat je eigenlijk leert van het kijken naar opgezette dieren. Hoe ze er ongeveer uit zien. Maar verder? Dat er een mens rondloopt die er behagen in schept geconserveerde dode dieren te onderzoeken en te bewonderen? Het leek me een uitwas van de onderzoeksdrift die sinds de Verlichting ons leven bepaalt: de mens als onbetwiste Cartesiaanse heerser die, in de veronderstelling los te staan van de natuur, de natuur bestudeert en conserveert.

De gastheer en receptionist van Natura Docet, die enigszins gebocheld leek te zijn – wat nogal bijdroeg aan de unheimische sfeer van het museum – haalde plotseling een levend wezen tevoorschijn, een koningspython. Eigenlijk hoorde de wurgslang niet bij de museumcollectie. Het dier was van de man zelf. De slang woonde weliswaar in het museum, maar alleen hij zorgde ervoor. Als hij over een paar jaar zou stoppen, zou hij het dier mee naar huis nemen uit vrees dat er niet goed genoeg hem gezorgd zou worden. Buiten mochten kinderen de python vasthouden zodat ze door hun ouders op de foto konden worden gezet.

Op de dag van vertrek uit Białowieża had ik een beetje tabak gekregen van alle jachttrofeeën. ’s Ochtends maakten Emke en ik een laatste boswandeling, om nog eenmaal het genot van de stilte van het bos en het geruis van de bladeren te smaken.

Emke en ik liepen in zuidoostelijke richting, vlakbij de grens met Wit-Rusland. Ik had Emke overtuigd een poging te wagen de grensovergang te bekijken, om een blik te kunnen werpen op dat onbekende land dat Wit-Rusland heet. Toen we op het punt stonden onverrichter zake terug te keren viel mijn oog op een naar links wijzende richtingwijzer. Was daar het douanehuis? Nee, via een bospad kwam ik op een grote open plek terecht met een kolossale zwarte adelaar. Het was een monument. Op een steen met opschrift werd in het Pools uitgelegd wat er op deze plek gebeurd was. Ik begreep niet alles, maar wel dat er in dit deel van het bos bijna vijfhonderd mensen door Hitlers troepen waren vermoord.



We liepen er poosje in stilte rond, voordat we teruggingen om de bus te halen.