Opwaaiende plastic zakken

Gidsredacteur Roel Bentz van den Berg schreef in 2005 in Zapdansen over American Beauty van de Britse toneelregisseur Sam Mendes.

In de korte periode dat ik toneelknecht was heb ik zeker twintig keer van heel dichtbij de scène uit In Wankel Evenwicht van Edward Albee gezien waarin Harry en Edna 's avonds laat bij hun buren Tobias en Agnes aankloppen met het verhaal dat zij rustig samen thuis zaten toen ze opeens bang werden – zonder enige aanleiding maar met hoofdletters: bang.

Nog eens, maar dan langzamer. Tobias en Agnes, een doorsnee ongelukkig echtpaar op leeftijd uit de Amerikaanse suburbs, zitten 's avonds laat samen met Agnes' inwonende alcoholistische zuster Claire tijdens de anisette en de cognac nog wat zout in elkaars wonden te wrijven wanneer de bel gaat. Claire, die languit op de grond ligt en uit verveling haar glas op haar voorhoofd balanceert, denkt ha, actie, maar van Tobias en Agnes maakt zich een lichte paniek meester. Wie kan dat zijn? Hun dochter Julia, terug van haar vierde mislukte huwelijk? Nu al? Maar even later zijn het hun beste vrienden, Harry en Edna, die wat bedremmeld bij hen op de canapé zitten en, na wat ongemakkelijke beleefdheden over en weer, met horten en stoten de werkelijke reden voor hun komst bekennen: ze zijn halsoverkop hun huis ontvlucht. Maar waarom?

Harry: `We waren bang.'

En?

Harry: `En het was een angst zoals ik die nooit eerder had meegemaakt - ook niet die keer dat de auto van de weg afraakte of toen ik naar het ziekenhuis moest om...'

Edna (tranen, ingehouden hysterisch): `We waren doodsbang... en... er was... niets...'

Elke keer dat ik vanuit mijn vaste plek in de coulissen dit moment voorbij zag komen, voelde ik twee schorpioenen over mijn rug kruipen.


Later ben ik deze in 1966 geschreven scène gaan beschouwen als de oerscène van elke vorm van 'suburban horror' of, daaruit voortgekomen, 'suburban noir', zoals die sindsdien in de bioscoop te zien is geweest, met als voorlopig hoogtepunt de film American Beauty van de Britse (toneel)regisseur Sam Mendes, over een man die middenin zijn leven plotseling ontwaakt uit een voorstedelijk bestaanscoma van meer dan twintig jaar.

Aanvankelijk kwam het in films verbeelde monster dat in de vredige, overal eendere straten van suburbia op de deur bonsde nog van een vreemd en ver buiten in de vorm van klopgeesten, buitenaardsen, psychopaten met messen in plaats van nagels, Hells Angels of de duivel in hoogsteigen persoon. Maar het gevaar, of liever gezegd de geprojecteerde angst, de prijs voor al die aangeharkte geborgenheid, kwam al snel dichterbij in de vorm van gluurders, wraakzuchtige minnaressen, verdachte buren, moordzuchtige kindermeisjes of enge onderhuurders. En dan duurt het niet lang meer of je gaat je afvragen wie toch die kinderen zijn die je af en toe in je Amerikaanse droomkeuken bij de ijskast tegen het lijf loopt en wie is in godsnaam die vrouw of die man die elke nacht aan de andere kant van je bed slaapt? Op een dag kijk je 's ochtends in de spiegel en staar je in de ogen van een vreemde, een levende dode, en word je pas goed bang. Of boos. Maar in ieder geval wakker.

O mijn god, wat heb ik gedaan? Waar is mijn leven? Middenin paradijselijk suburbia weggekwijnd in de helse binnensteden van het hart. Niets is ervan overgebleven.

Check. Zo doet het niets zich in eerste instantie aan ons voor: in de vorm van alles wat 'niet' is. Niet prettig, niet veilig, niet netjes, niet gelukkig, niet meer, nee, niet gedaan –  niet hebben willen weten vooral, nee nee nee. 'Never underestimate the power of denial' is niet voor niets een van de sleutelzinnen uit American Beauty. En al die nieten bij elkaar vormen ten slotte samen het grote niets waar Harry en Edna op een rustige doordeweekse avond door worden besprongen.

Je ziet hen bij wijze van spreken allebei tegelijk plotseling verschrikt opkijken, hij van zijn boek, zij van haar handwerk – alsof ze middenin de nacht door de telefoon of een hevig bonken op de deur uit hun slaap gehaald zijn. Maar nee, het is juist doodstil overal. Alles is nog hetzelfde, behalve dan dat de bodem er opeens onder uit is gevallen en zij er zelf elke binding mee hebben verloren – waardoor wat hun kort daarvoor nog zo vertrouwd was hun nu plotseling vijandig toeschijnt. Als een hond die na tien jaar trouwe gehoorzaamheid plotseling grommend zijn tanden ontbloot.

Stoelen en tafels, de staande lamp en de grote vaas, de hele kamer heeft zich in stilte tegen hen gekeerd; van alle kanten voelen zij zich door vreemde, kille ogen bekeken, beoordeeld en te licht bevonden. En buiten heeft de nacht haar troepen voor de ramen van de voorkamer verzameld en kan elk moment tot de aanval overgaan.

Het is een erg Amerikaanse geschiedenis, dit verhaal van de naam- en gezichtsloze kwade kracht die voor de deur staat te trappelen om de dunne sluier van onze vertrouwde werkelijkheid aan repen te scheuren. Misschien is het wel de Amerikaanse versie van de oerzonde, zoiets als schreeuwend wakker worden uit een droom en zien dat je aan handen en voeten geketend op een zandbank in een rivier ligt. Je hebt iets verschrikkelijks op je geweten, maar je weet niet wat. En er is geen toevluchtsoord. God is verdwenen, Zijn ondoorgrondelijkheid gebleven.


'The terror' wordt het niets waar Harry en Edna mee behept zijn verderop in het stuk van Albee genoemd, 'the terror' en 'the plague' – correct, want ook nog eens zo besmettelijk als de pest. Waar het binnendringt en toeslaat, meestal op momenten dat alles juist volkomen in orde lijkt, gaat alles langzaam over tot ontbinding. Relaties, normen, waarden, vertrouwen, huis en haard, elk verband valt uiteen – tot aan het verstand toe. Net zolang tot je het gevoel hebt dat je helemaal nergens meer bent of beter: dat je er alleen nog maar bent, puur aanwezig, koorddansend op de existentiÎle nul-lijn. Niet om uit te houden, zo eng, maar ben je eenmaal over de ergste schrik heen, dan is er ook niets mooier. Het is slechts een kwestie van beamen.

In American Beauty is het Ricky, de zonderlinge buurjongen van de dankzij een verliefdheid gereanimeerde hoofdpersoon Lester, die niet bang meer is, of beter: de angst voorbij, en daarom in staat om het leven van de andere kant te bekijken: vanuit het standpunt van de dood om precies te zijn, en dat punt, het grote verzamelpunt, is weer niets anders dan het hier en nu van de duizend-en-één dingen recht voor onze neus.

Als je goed kijkt, tenminste.

En Ricky doet bijna niets anders dan goed kijken en nog beter kijken, via zijn videocamera weliswaar, maar dat is, zoals hij zelf zegt, 'just an excuse', want, zo stel ik mij voor, het is tenslotte ook weer niet erg beleefd om Hem voortdurend recht in Zijn ogen te blijven kijken. 'Hem', zeg ik? Ach, `opwaaiende plastic zakken', om een centraal beeld uit Ricky's film in de film te citeren, is ook best.

De boeddhisten noemen het 'sunyata', te vertalen als `leegte', maar dan een leegte die voortdurend overloopt van zijn eigen volheid. En die volmaakte leegte is, aan het eind van het liedje, het enige wat werkelijk is: een alles tegelijk verbindende en ontbindende kracht, een speelse wind zoals die ook voortdurend door ons eigen leven heenwaait, binnen en buiten suburbia, dat is om het even, en hé kijk, daar gaat weer een lege plastic zak de lucht in.



Uit: Zapdansen, Uitgeverij Augustus, 2005.