Beeld & Poëzie / 12.03.26

De scène is reeds begonnen

Ivana Soyer



Wet 1: je stapt in een al draaiend moment


Wet 2: gesprekken lijken amper op elkaar te reageren


Wet 3: abrupt verandert de omgeving


het park is bezet. berucht zijn de mannen om hun gijzeling en chantage. eenmaal binnen worden me tweehonderd lokale valuta afgetroggeld voor een veilig vertrek. “ik ben niet bang – mijn geld, als ik het had, krijg je ook niet.” alle vrouwen denken mij dom. ik heb nog niet over mijn keuzes getwijfeld.

bijgekomen blijk ik in brand te hebben gestaan. mijn lijf voor een groot gedeelte verschroeid. navel zelfs verdwenen. ik vind mijn vriendin in een andere ruimte, in dezelfde toestand. ik durf mijn eigen vlees, zompig als het is, niet aan te raken. we betasten elkaar, vertellen wat er over is, wat we niet meer hebben. “je bent je navel kwijt.”


Wet 4: ook tijd versnelt, vertraagt, verspringt


mijn metgezel verdwijnt meermaals in mijn droom als ik niet met hen bezig ben.


Wet 5: met vlagen komt iets van buitenaf terug


een huilende vrouw is een vrouw die iets van plan is.

ons huis staat eenzaam in een weiland. door de ramen zijn enkel groene velden te zien. we wonen met veel mensen samen, misschien wel tien, maar dat bedenk ik me nu pas. vanuit mijn ooghoek lijkt iedereen op elkaar. mijn blik wordt naar buiten getrokken, er vindt een verontrustende verandering plaats. het landschap is bezaaid met mensen, elk gezicht strak op ons gericht. mieren lopen in georganiseerde, slingerende lijnen over mijn arm. ik kan ze niet pletten, dan vermengen we, dus wapper ik met mijn arm en veeg ik ze van mijn lijf. mijn huisgenoten plaatsen bakstenen voor de ramen. we moeten ons dichtmetselen, het is de enige oplossing (ik geloof). een van ons draait het gas open.


Wet 6: zonder dat je wist dat je het vasthield, laat je het los (morele, sociale, rationele overtuigingen)


ik woon in de drukte van de binnenstad. het valt me op wanneer ik de deur dicht wil draaien dat het slot niet meer werkt. ik herinner me dat ik een briefje van een slotenmaker in mijn portemonnee bewaard heb. de enige betrouwbare in omgeving slotervaart. ik wil het opzoeken en hem bellen. jules, hij heet jules, maar te laat, in mijn woonkamer is een gezin aan mijn gedekte tafel gaan zitten. dat via die open deur naar binnen moet zijn gekomen. ik vraag ze te vertrekken, wat ze doen, langzaam. ze nemen een raam als uitgang. ik wil het vergrendelen. mijn raam, loom als het is, opent telkens tot een kier. mijn hand erop, de ander graait rond in het huis dat groter is dan ik het ken. toch is het weer te laat, meer indringers hebben plaatsgenomen, iemand heeft ze zelfs al bediend. de tafels, nu best veel, liggen onder witte tafelkleden met half ingeschonken wijnglazen en de restanten van een diner. bediening aan vreemden moet gestopt worden. toch is het weer te laat. roep iedereen te vertrekken. ik ben geen restaurant, ik woon hier (krijs wanhopig). de inzittenden kijken enkel vreemd, alsof ik een schreeuwende vrouw in een restaurant ben. ik draai en draai en daar is een jonge man die mij wat uit de hoogte aankijkt. hij moet van mij het meest weg. “vertrek! dit is mijn huis!” mijn gezicht lekt, alles is nat en bevlekt mijn schoenen maar het brengt niets teweeg. een huilende vrouw betekent hier nog maar weinig. als laatste daad richt ik een kapotgeslagen wijnfles op de meest vervelende gast, dreigend, terwijl er door het raam meer mensen naar binnen kruipen.


Wet 7: het realistische versmelt met het onmogelijke/onhandige


in mijn herinnering was het altijd ver lopen en wist ik enkel de weg omdat ik er zo frequent kwam. het gebouw staat op een heuvel of berg, daar moet mijn oude therapeut te vinden zijn. ik moet weten of hij onze ontmoetingen in dromen ook waarneemt, of zijn kinderen nog op de meubels mogen dansen, wat er nog van ze over is. dit is allemaal enorm belangrijk.
soms ben ik een we, en wij moeten door, dus beklim ik de trappen op de heuvel (of berg), maar het begint al donker te worden. het begint nu ook te regenen (soms), de wegen nu glad. klauw mijn vingers in de grond om afzakken te voorkomen. de weg terug vervalt in een afgrond zoals bekend een heuvel of berg.
soms loop ik ook anderen voorbij, altijd zonder contact. het houdt me niet bezig waar ze heen gaan. tot wanneer ik geloof dichtbij te zijn, komt er van rechts een groep jonge mannen jachtig mijn kant op. je weet dat er een dreiging is als het enkel jou bekijkt en blind blijkt voor al het overige. als ik me niet laat beïnvloeden, kunnen ze me niet raken, niet echt zoals ergens anders echt is, en dus ook niet vertragen. dat heeft de man daarboven me verteld.

je ziet het niet maar ze schreeuwt. niet te horen, ze is weer uit beeld.


Ivana Soyer (1995) schrijft poëzie en werkt met analoge fotografie. Ze is eindredacteur bij literair platform Hard//hoofd en studeert dit jaar af aan Creative Writing aan ArtEZ Arnhem. In haar afstudeerpublicatie onderzoekt ze de gevolgen van systematische onderdrukking en de mogelijkheden tot een herverdeling van macht binnen de droomwereld.

Meer van deze auteur