Essay / 23.05.26
De vlek
Dossier
&2026
Essay / 23.05.26
De vlek
1.
Op mijn bank zit een vlek. Een vale plek in het midden die verraadt dat het stuk stof daar ooit hardgrondig geschrobd is. Het is geen vlek zoals andere, niet een die een komisch, klunzig verhaal vertelt over rode wijn of tomatensoep. De vlek kijkt me soms aan, vragend, fronsend. Dan gooi ik er een deken overheen, ga erbovenop zitten, weg vlek.
2.
Je moet weten, in eerste instantie was ik niet van plan je te laten gaan. Ik was verrast, dat wel. Ik had het niet zien aankomen, begreep ook niet helemaal waar je vandaan was gekomen. Er was weinig fysiek contact geweest. Ik herinner me die keer in de badkamer, maar er was een condoom en daar had niks mis mee geleken.
Ik kwam erachter op de school waar ik werkte, op het docententoilet. Onderweg naar school was ik gestopt bij het Kruidvat en had ik een test gekocht, de goedkoopste van het huismerk. In de kleine pauze plaste ik over het staafje. Ik kan me niet meer bedenken waarom ik dat deed, daar, in dat hokje met die open onderkant en het gekletter van een collega naast me. Misschien wilde ik niet langer wachten, hoopte ik dat het enkele streepje me zou terugbrengen naar de orde van de dag.
Je vader had ik niet ingelicht, dat deed ik later die middag pas. Ik belde hem op, probeerde er een leuk bericht van te maken: ‘Hé, je raadt het nooit’. Schotelde het voor als een avontuur, daar was ik goed in. Ik moest behoorlijk geschrokken zijn, want ik belde meteen daarna ook mijn zus. Zij zou vast lucht geven aan wat zich in mijn binnenste aan het nestelen was. ‘Wauw, zus’ riep haar stem door de telefoon, dat het vast de bedoeling was. Een uitspraak die ik tegen beter weten in probeerde te omarmen als iets van mijzelf. Ik wilde het leven met mijn armen open, een verhaal om in te geloven. Dat vertelde ik mezelf. Steeds een beetje harder.
3.
In mijn huis bewaar ik honderden verhalen, die van de plant genaamd Herman, de langste overlever van al het groen in huis, een wasco imitatie van Van Goghs sterrennacht van mijn oudste kind aan de muur, de tandendoosjes met het melkgebit van de meiden in een la. Sommige kleurrijk, luid, opzichtig aanwezig, sommige fluisterend, zorgvuldig opgeborgen. Fragmenten die ik wil bewaren.
Ik vind een foto van vroeger, een vergeten raamvertelling in een schoenendoos. Een meisje van een jaar of tien, haren in een strakke staart, ongemakkelijk wegkijkend van de camera. Een magere vogel op de schouder. De vogel was een gewonde merel die ik verzorgde nadat ik hem in de tuin had gevonden. Ik zette het dier in een doos, gaf hem papjes van nat beschuit en ving regenwormen die ik kronkelend in de doos achterliet. Ik praatte met hem, vertelde dat Thomas de leukste was uit de klas, liet hem zien hoe je zuigzoenen op je eigen arm kon zetten. Hij at niet veel. Op de vijfde dag lag hij stijf op zijn rug. Er kwam een kistje met bloemen, een graf onder de notenboom in de tuin. Mijn vader maakte een gedenkteken van een stuk hout: hier ligt Henkie, we zullen je missen. Ik miste hem niet.
4.
De eerste keer dat ik ernaar googelde was alleen om mijzelf te verzekeren dat ik het niet zou doen. Jou houden betekende ook mij houden, dacht ik. Het was een deur die eerder dicht was, maar waar ineens toch een streepje licht doorheen kwam. ’s Avonds lag ik in bed en haalde oppervlakkig adem. Mijn blik gericht op het dakraam, de smalle maan als een eenzame treurmond in de donkerte.
Je oma kwam langs en gaf me je eerste cadeau. Het was een grijze, vilten kraanvogel. Ze had hem zelf gemaakt. Ik pakte hem vast, de zachte stof, die toch stevig was. Ik keek naar zijn piepkleine snavel, probeerde te negeren wat zich in mij als een inktvlek aan het verspreiden was.
Een paar dagen daarna stond ik in de keuken met je vader, hij deed de afwas. Ik sprak over spullen, de meiden bij elkaar op een kamer, klussen, de koe bij de horens, dat soort dingen. Een praktische poging om de chaos te beteugelen. Hij sprak niet, niet echt in ieder geval, keerde naar binnen. Er hangt een zekere mist over deze periode, maar dit moment kan ik helder voor me zien. Hij kijkt op, een haas in tegenlicht. Ik wankelde, wist niet of ik naar hem of mezelf keek. Het was alsof het kaartenhuis dat ik krampachtig overeind probeerde te houden, in elkaar stortte. Ik moest luisteren naar wat mijn benauwde lichaam me allang vertelde. Het was een eenzame beslissing. Niet omdat hij van mij alleen was. Maar het bleef aan mij om er een klap op te geven.
5.
‘Er zit bloed in mijn onderbroek’ zei ik op een ochtend beschaamd tegen mijn vader. Hij mompelde iets over in de was gooien, had niet door wat er aan de hand was. Ik was net ongesteld geworden en mijn moeder was niet thuis. Ik denk dat ik haar gebeld heb, of mijn zus heeft geholpen. Later die dag nam mijn moeder me mee naar de winkelstraat in ons dorp. We aten taart – de helft van ons met lange tanden – en ik mocht iets uitkiezen. Een sieraad had mijn moeder gedacht, om mijn vrouw-zijn te vieren. Ik wist niet wat ik wilde, vooral doen alsof er niets was gebeurd. Van alles wat ik wilde, was vrouw zijn er zeker niet een van. Ik koos de Mega Dance 1998 dubbel-cd en sloot me daarna met mijn discman op in mijn kamer.
Een rite de passage waar iedereen met een baarmoeder doorheen gaat. De Franse antropoloog Van Gennep onderscheidt drie fasen. Eerst is er de afscheiding van het oude, het verlies van je kinderlijke lichaam. Dan volgt er een verwarrende tussenfase, soms een beproeving. Een ambivalent schemergebied waar je doorheen moet. Zonder markering kan je blijven hangen in het liminale, verloren tussen niet meer het een en nog niet het ander.
Ik moet denken aan de dode vogel. Het lijkt erop dat mijn vader met zijn ritueel het einde van Henkie onderstreepte. Een einde waarin mijn rol duidelijk was, waar ik me bovendien in kon vinden. De waarheid is dat de zorg voor het dier me na een dag of twee begon te benauwen. Ik kan me de opluchting nog herinneren van zijn dood. Het hoefde niet meer. Ik heb gehuild, een mengeling van opluchting, ongemak en verdriet om het stijve vogellijkje. Ik werd getroost, ik waste mijn handen in kinderlijke onschuld.
6.
In golven stortte het zich uit. Dwingend. Het gulpte over de randen van het verband, lekte door alle lagen, door mijn broek, door de dubbelgeslagen handdoek op de bank. Het zou mogelijk wat heviger vloeien dan bij een menstruatie, had de man gezegd.
Twee dagen ervoor zat ik een kamer met een dokter – was het een dokter? Een man in een ruimte zonder daglicht in een grauw gebouw waar normaal de GGD gehuisvest was. Het was een miezerige zaterdagmorgen in november. Ik moest aanbellen, de deur ging met een zoemer open. Ik kwam binnen in een kale gang waar drie plastic stoelen stonden. Het pand was verder leeg. Toen ik aan de beurt was, ging de deur open. Er kwam niemand naar buiten. Het klinkt precies zoals het was. Een handeling die aan het oog onttrokken moest worden.
Ik had medische gegevens in moeten vullen en toestemmingsformulieren. Na de formulieren was er een echo. Ik moest kijken, dat had ik gelezen. De man zei dat ik er op tijd bij was, hij bedoelde dat geruststellend, denk ik. Daarna kreeg ik een pil en een kartonnen bekertje met lauw water. Hij zei dat er vrouwen waren die vaak terugkwamen. Hij zei dat ik niet de oudste was. Hij zei dat er vrouwen kwamen met hoofddoeken die gedwongen werden door hun man. Ik voelde me slap, vroeg me af waarom hij geen vrouw was, waarom ik hiernaar moest luisteren. Wat ik in het vervolg aan preventie zou doen? Dat moest hij noteren. Ik slikte. Er kwam geen spits antwoord. Pas later balde ik mijn vuisten, telkens opnieuw.
7.
Ik lig op mijn vlek op de bank. Ik kijk naar duizenden hangende, witte jurken, besmeurd met rode verf. In de documentaire Water children wordt een installatie getoond van de Japanse kunstenaar Tomoko Mukaiyama. Eva werd voor haar lusten gestraft, niet alleen door uit het paradijs verdreven te worden, ook zou de vruchtbaarheid van de vrouw vanaf dan gepaard gaan met pijn. Tussen de bevlekte jurken worden vrouwen uitgenodigd te reflecteren op de potentie die ze hebben gekregen om leven te geven, over de pijn. Zij hebben allemaal hun eigen verhaal, geen van hen is onbevlekt. In dit decor spreken zij vrij, daarbuiten klemmen zij hun kaken op elkaar.
In de documentaire komt een Japanse berg voor. Hij staat vol beeldjes en kleine altaren die ouders hebben opgericht voor hun waterkinderen. Het is een boeddhistische term voor alle kinderen die niet tot leven komen. De ouders laten offers achter, zingen mantra’s, rituelen die ervoor moeten zorgen dat de zielen van de ongeborenen (of van hun ouders?) niet blijven hangen in een tussenfase.
Ik ga rechtop zitten. Waterkind, het woord sijpelt binnen. Maakt iets week wat was verhard. Komt dan in de vorm van een oeverloos huilen weer naar buiten. Ik vraag me af of ik ben blijven hangen.
Ik proef de woorden die ik tot mijn beschikking heb; spijt, schaamte, rouw, schuld, dikke bult. Ze smaken niet. Ik stuit op de Abortuspastellen van Rodante van der Waal.
dus als ze pijn willen
dan ga ik door de pijn heen
als ze schaamte willen
dan ga ik door de schaamte heen
als ze verdriet willen
dan ga ik door het verdriet heen,
maar alleen omdat ik wil
dat de wereld mij leeft zodat ik haar
verwachten en baren kan
zoals ik denk dat zachtheid is.
Ik trek het deken van de bank. De vlek niet langer in de vorm van een vraag, maar als een uitroepteken. Zachtheid, zeg ik na. Ik besluit de grijze kraanvogel aan een punaise in mijn schrijfkamer te hangen. Dan ga ik liggen op de bank, krul mijn lichaam eromheen, bestrijk het met mijn hand. Het steekt en stelt gerust. Je was er. Je bent er geweest.
8.
Mijn vader is een ceremonieel man. Met Kerst vertelt hij een verhaal. Dat doet hij vaker. Vroeger kon je hem inhuren op bruiloften en partijen. Dan kwam hij met een zelfgemaakt decorstuk een balkonscène doen, speeches houden. Deze Kerst is het een allegorische vertelling over het voorbijgaande jaar. Ieder familielid heeft zijn eigen personage. Die van mij is op een queeste, een vertwijfelde zoeker naar een licht, een rode draad. Ik herken haar. Jij komt in het verhaal niet voor.
Ik ga op zoek naar rituelen die strepen zetten. Vuurwerk, ceremonies, het breken van glazen. Ik gooi een glas stuk, wat lekker voelt, maar verder weinig doet. Dan begin ik aan een brief. Ik neem de tijd. Tijdens het schrijven laat mijn menstruatie zich drie maanden niet zien, alsof mijn lichaam haar adem inhoudt, haar wonden likt.
‘Tell me about your hands, the things they have done and held and hit and let go’ zegt Melissa Febos in haar essay ‘In praise of navel-gazing’. Mijn handen hielden vast, kinderen, verhalen, decorum. Mijn handen lieten los. Dat klinkt passief, maar vergis je niet. Het is tijd om te zeggen, het is zo, er kleeft bloed aan mijn handen. Ik ben een moeder die haar kinderen koestert en verwijdert.
Ik, ik ben de liefde en de liefde die doodt soms, ik,
die altijd naar ijzer zal blijven ruiken,
ben een blijvende bevlieging
die vloekt met de tijd.*
Het was een keuze, mijn keuze. Inherent daaraan was dat ik de persoon zou achterlaten die ik dacht te zijn. Maar ik zie langzaam dat er ook iemand voor terugkwam. Een vrouw die kan zeggen: deze handen zijn van mij, het is aan mij om ze vies te maken. Om ze niet te gebruiken om te verhullen. Om ze met zachte maar besliste bewegingen om het eigen lichaam te vouwen. Het omsluiten van wat er is, wat er niet is.
* Uit Abortuspastellen van Rodante van der Waal
Essay / 23.05.26
Dossier
&2026
Geluid & Poëzie / 02.05.26
Dossier
&2026
Essay / 04.03.26
Dossier
&2026
Poëzievideo / 03.03.26
Dossier
&2026
Poëzie (& ingesproken) / 22.01.26
Dossier
&2026
Poëzie / 19.01.26
Dossier
&2026
Poëzie / 17.01.26
Dossier
&2026