Poëzie / 20.01.26
Façades
Dossier
&2026
Poëzie / 20.01.26
Façades
:
ik heb nooit gewild dit vast te houden:
pianissimo alsof de muren die hij heeft neergezet poreus
& capricieus een navelstreng niet lang genoeg
uitgeklopt de mond
niet helemaal passend op de tepel concurrerend
nocturne in c-mineur binnen de hiërarchie van een gezin
heb je de persoon die ontvangt & de persoon
die probeert te grijpen
hij dwaalt af [zoals dat wel eens gebeurt] het is het
gebrek dat knaagt niet de lengte & de veronderstelling
dat groots worden immuniteit oplevert
:
de afwijzing maakt hem aantrekkelijk zijn lichaamloosheid
als het aaien van gewapend beton zowel als bezitter
van natuurlijke kracht als medium van transformatie is hij
anorganisch
alles verplaatst zich in deze heldere uren & [oh]
als hij mij hoort zie ik een traan de vermenigvuldiging ervan
hoe ik mij van mijn slip strip geschetst hernoemd
de filosofie van een curve vanaf nu slaap ik
op vochtige vellen [droom ik van hem
in st. louis hij droomt van mij in hellerau] er zijn personen die naar ons toekomen
die afscheid nemen in kussen
als het likken van verzilte bodem
wat we hier hebben gevonden
is dus een vonnis 一 hij is te oud
om het te begrijpen nog steeds hard
[dit zijn affaires om van te revalideren]
soms noemt hij mij bij de naam
van zijn moeder of vraagt hij mij om geld uit noodzaak
verbrand ik elke brief ga ik liggen op het tapijt
:
hoe ik mij werkelijk positioneer is
horizontaal
uitgestrekt
op de chaise longue als een olympia het object op
het zelfgemaakte dit was lang
na het herfstsalon [29]
onder het plafond
waar je enkel neer kon kijken op wat zich in de ruimte bevond ik had
hem niets meer te vertellen ik zet stappen vooruit hoofd
gebogen als ik van hem hield
was dit een huwelijksreis die we deelden
tijdens een functioneel dispuut [33] parthenon
we borduren allebei
geen kussens verspillen tijd aan studies van metaal
hoe een koude hand mij
buigt
tot ik het patroon
bekom van een sinusgolf
[55] t a k a s h i m a y a meer dan ooit
ben ik nu losgeketend [topless] vanop het dak van het hotel
:
ik ben niet zeker wat mij toebehoort in geen geval
is het iets wat ik kan noemen over de maanden heen
distantieerde ik mezelf van de persoon
& de plek
die in tegenstelling tot de persoon geen gelijkenis
vertoont met een urinerende hond probeer voortdurend
de straf & de climax
van elkaar te scheiden
[de fallus van de man]
voordien had ik geen ideeën over catastrofes 一
zelfs in de klauwen leek zich een knipoog te verschuilen nu
zijn mijn muren gesigneerd met zijn naam
ah misschien heb ik hem te vaak in verlegenheid
gebracht misschien heeft mijn wit hem doen
krimpen wiens huis is het waarin ik mij nu voortbeweeg?
al vond ik een onopgeëiste ruimte ik zou gedwongen worden
mij terug te trekken tussen ons
is er geen sprake van amicaal grootgrondbezit
zelfs betere tijden hebben uiteindelijk
hiertoe geleid
:
in tijden van liefde bezaten we elkaar & landen nu
brengt het mij geen vreugde meer de vloertegels
met het patroon van een pasgeboren kalf het anestheseert
mijn wil tot vergiffenis mijn [auwtch] strijkkwartet voor mij
was hij gereconstrueerd steen
stalen skeletten opgeborgen
gewelfd chirurgisch licht
migraine
wat mijn waarde mij influistert is de waarde
van zijn nalatenschap dat hij erin verdronk dat ik
het bezweerde om zijn duivenblik te ontwijken
maar in zijn grote rond-zijn legde hij zijn wang tegen de mijne
hij beweerde dat ik zwanger was van woorden die hij ooit bewonderde en nu
vraag ik en nu
Deze tekst kwam tot stand in het kader van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren (www.deburen.eu) in samenwerking met de stichting Biermans-Lapôtre.
De tekst is geïnspireerd op de relaties die Marie Charlotte Amélie Jeanneret-Perret, Josephine Baker, Charltte Perriand, Eileen Gray en Yvonne Gallis hadden met Le Corbusier.
Poëzie / 20.01.26
Dossier
&2026
Poëzie / 19.01.26
Dossier
&2026
Poëzie / 17.01.26
Dossier
&2026