Not Only Fans

Essay / 25.11.25

blinde mond, gretige tong

Hanna De Grave Loyson

Dan trek ik de zware deur open, ik moet een hele stap achteruit zetten, en een ruimte aan blikken neemt me in zich op. Ik ben te vroeg, zoals zo vaak ben ik twee uur te vroeg. Twee uur om te wachten, om langzaam halfdronken te worden, tot het weer begint: de hand op mijn rug, zit je hier al lang, en dan opkijken, aangeschoten en lachend in mezelf, nee, nee, nog maar net, net toegekomen.

Zo meteen kom je binnen. Je benadert me van achteren. Je vindt me bijzonder zoals ik hier zit, gebogen over dat boekje. Je trapt er zo in. Ik zit op een stroeve kruk onder gedempt licht, geroezemoes, te wachten met de pen in mijn hand, voorover leunend over de koude metalen bar en fronsend, zodat het lijkt alsof ik met iets serieus bezig ben, een sollicitatiebrief, het opstellen van een testament. Schijnbewegingen, zoals wanneer ik in de Aarschotstraat op mijn wandeling naar huis door een erehaag aan gescheld ga, luid telefonerend met mijn uiterst beschermende, fictieve echtgenoot.

Je zal binnenkomen, naar mij kijken met een blik waarvan ik vermoed dat je die vroeger in de spiegel hebt geoefend, als veertienjarige al, opgesloten in het donkere huis van je moeder. Zonder precies te weten waartoe ze later zou dienen. (Wat ik schrijf doet er niet toe. Hoewel ik te ijdel ben om zinnen ruw te laten, een kind dat geen dagboek kan volhouden zonder denkbeeldig publiek, en ik al toeleef naar het opdragen van wat ik schrijf aan jou, achteraf, naast elkaar rechtop in bed, mijn kont rood in de natte plek. Tot meer ben ik niet in staat: mijn onderwerping aan die hand op mijn rug, elke gedachte een tijdverdrijf. Enkel dit lawaai is van belang, het doffe gekras op het ritme van het nu, nu, nu,

nú denk ik bijvoorbeeld aan Anne Desclos, die haar Histoire d’O in één geut neerpent, in de hoop de getrouwde Jean Paulhan, haar minnaar en groot bewonderaar van Marquis de Sade, aan zich te binden. Ze schrijft met de stuiptrekkende energie van een bijna-verlatene, aan één stuk door en grillig. Dat ze hem kan vermaken of verbazen is voldoende, ze blijft anoniem tot na zijn dood. Ze schrijft over groteske onderwerping terwijl ze zich grotesk onderwerpt, zich vastketent aan de vernedering van O., opgevoerd voor Paulhan: ‘I wrote it alone, for him, to interest him, to please him, to occupy him.’ Paulhan gelooft niet dat vrouwen een erotisch meesterwerk kunnen schrijven, niet zoals zijn helden in elk geval, en precies daarom doet ze het, niet om hem op zijn plek te zetten, maar om tegemoet te komen aan zijn uitdaging, slaafs en vrijwillig.

Toen ik voor het eerst over Desclos las, wist ik dat zij iets van zichzelf in O. had gestoken, in de vrouw die zich in een afgelegen villa laat afranselen. Ik besefte ook het plezier dat ze daarmee had, met die zweep van zijn onderschatting. Dat haar boek geen schreeuw om hulp is, om haar te bevrijden van die vreselijke man, maar een schreeuw van plezier, dat is er één die ik nog altijd - in haar, in mijzelf - probeer te begrijpen.

(Hoewel ik haar begrijp in die zin, dat ik plotseling inzie waarom schrijven altijd als een gretig antwoord op een schampere uitdaging heeft gevoeld.)

In het voorwoord van Histoire d’O schrijft een man wiens naam ik ben vergeten dat de tijd van het schrijven de verleden tijd is (‘het schrijven gebeurt achteraf’), terwijl de tijd van seks de ultieme tegenwoordige tijd is: een gelijkstroom aan momenten met vluchtige intensiteit, een parelketting aan nu, nu, nu, die de pornograaf alleen maar in scène kan zetten, enkel gebrekkig aaneen rijgt. Probeer maar eens, de onbepaaldheid van zo’n moment tussen twee vingernagels op te pakken, je botte naald erdoor te jagen —

en toch zit ik hier, nú, schrijvend zonder achterom te kijken, omdat de tegenwoordige tijd ook de tijd van het wachten is en ik niet zomaar aan haar ontsnap.

Zoals in ‘Waiting’, dat gedicht van Faith Wilding, waarin een stem wacht en wacht en wacht op wat de volgende stappen in haar leven zouden moeten zijn, in die burgerlijk verantwoorde opeenvolging van ervaring; wacht en wacht en wacht op schoonheid, op menstruatie, een man, een kind, op ouderdom en nalatenschap, op een langzame, pijnloze dood. Waiting to be a woman… waiting for life to begin… De stappen voltrekken zich niet. Er is een video van Wilding die het gedicht voordraagt, ritmisch heen en weer bewegend op een krukje. Op het eerste gezicht is het een meelijwekkend tafereel: de uitdrukkingsloze vrouw, de repetitieve sleur van de levensloop die ze schetst. Haar passiviteit is ook verwarrend, frustrerend zelfs: waarom staat ze niet op, waarom onderneemt ze niets, waarom rent ze desnoods haar lot niet tegemoet? Waarom ondergaat ze die dood, dat wachten?

Die wachtende vrouw in ‘Waiting’ heeft niets te winnen en overwint ook niets: ze zoekt niet naar zichzelf, emancipeert zich niet in de gangbare zin van het woord. De opdracht is helder: een Vrouw te worden, een leesbare en voorspelbare entiteit. Maar ze wordt niets. Ze heeft haar lot in de ogen gekeken en heeft haar blik afgewend. Ze doet enkel verslag uit van de wereld, zoals die haar wordt opgedragen. Ze pakt de uitdaging vast, wikt en weegt, draait hem besluiteloos om in haar hand. Ze zit zo lang stil dat het lijkt op een weigering. Ze wacht en wacht, ja, of liever: ze toont dat er wordt gewacht. (‘Er wordt gewacht’, de passieve vorm, de geliefde vertelwijze van de masochist.)

De ruimte verzamelt zich rond de bar. De ijsblokjes in het glas van mijn buurvrouw zingen hun onheilspellende, tijdelijke lied. Je komt niet. Je komt veel te laat. Wat kan ik nog meer verzinnen? De inhoud van mijn tas: telefoon en portefeuille, een paar vuile zakdoeken, een zakspiegeltje en een kleine tube glijmiddel op waterbasis, ‘de flosj’, een tandenborstel en een minuscule tube aftencrème. Ergens in de naad twee paprika-nootjes.

De tas zelf: een cadeau van mémé, een witleren geval dat op een prettige manier helemaal niet bij mij of bij haar inhoud past, dat toebehoort aan een knus en kleinburgerlijk verleden, aan mémé in de altijd verduisterde rusthuiskamer, tussen porseleinen beeldjes en kopjes en asbakken met wapens van nabije bedevaartsoorden (je kunt je hand niet uitsteken of je voet opheffen of er sneuvelen een paar), die vertelt over vroeger: in die tijd ging dat niet om de liefde. Het was van ogen op het plafond en denken aan het vaderland,

wachten, op de rug, omhoog kijken, slikken; kinderen als bittere geschenken, niets dan dankbare ontvangenis. Vrouwelijkheid als fictie van passieve materie, wachtend om geactiveerd te worden, om bestudeerd of beschreven te worden, smekend met een opengesperde, lege mond.

Die zoutloze fictie van vrouwelijkheid. Andrea Dworkin, door wie ik zo lang zo gefascineerd was, beschrijft haar als een mond waar een buikspreker doorheen klinkt; van wie de tong wordt bestuurd, bewogen tot een luidkeels JA.

Zoals ook Angela Carter de vrouw samenvat: ‘a dumb mouth from which the teeth have been pulled.’

Dworkin, steeds in de frontlinie van de anti-pornobeweging tijdens de sex wars van de jaren ‘70 en ’80, werkte een carrière lang aan het tegengaan van de symboliek van de passieve vrouw. Zonder al te veel verbeelding beschreef ze hoe man- en vrouwbeelden worden uitgespeeld in het spel tussen dominant en submissief, hoe de seksuele onderwerping een echo is van de reële onderwerping van het vrouwelijke. Zelfs, of misschien wel met name, het SM-spel tussen vrouwen noemde ze een verraad, zelfhaat, patriarchaal plezier.

Dworkin las als wet wat in feite spelregels zijn. Ik herinner me hoe getroost ik me voelde toen ik haar boeken ontdekte, hoe haar helder afgebakende vijand mij iets concreets gaf om me toe te verhouden, hoe de slachtoffers die ze beschreef me iets concreets gaven om te zijn.

Je zult binnenkomen, één en al vormspanning. Kijkend met de sérieux van een dokter of slager, kil beoordelend en evaluerend, alleen geïnteresseerd in het zichtbare: de textuur van de huid, de holte van de rug, de veerkracht ervan. Ik zit stil, koest. Ik ben een rijpe vrucht. A dumb mouth from which the teeth have been pulled. Een heerlijk beeld. Een blinde mond, gretige tong. Ik heb dorst. Ik raak de wijn niet langer aan. Een vlieg drijft op het oppervlak, gewillig. Onderdanigheid, passiviteit: besmette, heerlijke woorden.

Voor Angela Carter is júist De Sade één van de eersten die, met ‘zijn’ universum van roodgloeiende pijn en onderwerping, vrouwelijke seksualiteit begreep als meer dan reproductiviteit, als anders dan orgaan en functie. Die een reëel alternatief bood op het plafondstaren. De masochistische onderwerping leidt niet tot de onderwerping van de haard en het kind en de leeggezogen tepels. De melk vloeit niet maar wordt afgeklemd, of vloeit rijkelijk en nutteloos de open mond van een geliefde in. Het schrille tegendeel van de onbevlekte ontvangenis: de synthetische geur van spel en symboliek. De onderwerping is parodie, omkering, nutteloos en performant.

En jij bent net als ik een afvallig kleinkind, met glitterogen en uitgestoken tong. We houden de uitdaging om te worden in onze hand, we wikken en wegen. We vergeten haar opnieuw. Een nutteloos, noodzakelijk loszingen van noemers en namen, van het adembenemend bepalende, van de leesbaarheid van ons gezicht. De weigering van een schreeuw om steek te houden.

Wat kan ik nog verzinnen? Desclos schreef voor haar minnaar en het lukte, hij bleef. Een ernstige, saaie vrouw. Niemand verwachtte het van haar, dat boek. Desclos die zich achter vele namen verborg, en de vrouwen in haar verhaal allemaal van een masker voorzag. Wat verborgen die maskers, wat maakten ze mogelijk?

De eerste keer dat ik hier met je afsprak, heb je me niet eens herkend. Je bent me voorbij gelopen, in plaats van je af te vragen of ik het misschien was ben je recht op een ander afgegaan. Ik heb ernaar moeten kijken, hoe je haar schouder hebt aangeraakt en hoe ze haar gezicht - één en al lach en verbazing - naar je heeft toegedraaid. Mijn lippen opgezwollen, uiteengedreven en schurend tegen mijn jeans. Die dag was het aan jou. Jij was aan zet en opende meesterlijk.

Kathy Acker, meesterdief, steelt ook van Declos. Bij het kopiëren van Histoire d’O kopieert ze ook de erotische droomstaat die Desclos oproept, maar schreeuwt er tegelijkertijd doorheen: ‘NOT ONLY IS THERE NO ESCAPE FROM PERCEIVING BUT THE ONLY WAY TO DEAL WITH PAIN IS TO KILL ONESELF TOTALLY BY ONESELF’. Het vernietigen van het zelf als tegenwicht voor de pijn van de wereld, de pijn van zintuiglijkheid, waar niet aan te ontsnappen valt. De meeste van Ackers protagonisten zijn trouwens masochisten. Ze voert jonge vrouwen op, in de klauwen van patriarchale symbolen als vaders, gewelddadige of onverschillige bedpartners, cipiers – of dat allemaal tegelijkertijd. Ze dragen een vorm van zelfbeschikking uit die schuurt, niet past in het beeld van de vrijgevochten vrouw: ze vermorzelen zichzelf, als antwoord op de vermorzelende buitenwereld. Desclos’ droom van zwijgende dames in ruisende rokken wordt ontmaskerd als meer dan clichématige onderwerping, als manier om hardhandig voorbij het zelf te gaan, dat een onmogelijke opdracht is geworden.

Acker kopieert erop los, snijdt in canonieke werken en herschikt ze tussen haar eigen zinnen. Met de precisie van een slager doet ze ingrepen in de eigen stem. Als er al een zelf is, is het de wereld, zei ze ooit. Een slaafse, gretige mond. Getekend door fragmentatie, snijden, het litteken van de geleende taal. De inzet van de stem, hardhandig gewonnen en zonder meer terug verpand. De methode van iemand die niet vies is van onderwerping.

Vind je het storend dat ik anderen in mijn hoofd en lichaam, in mijn mond en tekst prop om iets recht te houden? Die eeuwige blinde mond. Denk aan je eerste woordjes. Jouw mond wijd open in een schreeuw, omdat je nog niet kan zeggen waar je behoefte aan hebt, nog niet kan huilen als een dame, en je op de koude borst van de wereld bent gelegd. En de weigering daarvan op te staan, dat allemaal te leren.

Je komt niet, je komt veel te laat. Maar aan dit spel kan ik meedoen, ook ik kan traag en bokkig zijn, want waar gaat dit eigenlijk naartoe, denk je nu, en ik schrijf alsof ik me van geen kwaad bewust ben, rek de tijd, ik spreid het nú met twee vingers open tot een draderige brei, kauwgom; ik schrijf door, zonder dat ik er nog echt bij betrokken ben, één en al stuiptrekking. You’re always looking for ways to make it go on, zegt Desclos in een interview over haar schrijfproces, the story of Scheherazade, more or less. Het schrijven als Scheherazade, als spreken tot je overste met je gezicht naar de muur, als wanhopig vermaak. Without hesitation, without stopping, rewriting, discarding… op het ritme van de adem, het koortsachtige ritme van dro

Hanna De Grave Loyson (2001) schrijft proza, essays en scenario's over erotiek, perversiteit en de veelbepalende relatie tussen verlangen en lokaliteit. Ze is redacteur bij Flemish Review de la Poëzie en mede-oprichter van Jagers&Verzamelaars, een platform voor onaf artistiek werk en kunstkritiek. Ze studeerde af in de Vergelijkende Letterkunde en de filosofie in Gent, en woont nu in Brussel. Werk van haar verscheen in en op Samplekanon, DwB, Kluger Hans, de Reactor en Skut, en op podia als Dichters in de Prinsentuin en Vers Vuur. 

Meer van deze auteur