Redactioneel / 04.10.24
Not Only Fans
Dossier
Not Only Fans
Verhaal / 14.05.26
Lijzige zondeval, gesis
In dialoog met ‘Professions for Women’ (Later naar verwezen als ‘Kill The Angel in The House’) van Virginia Woolf (1931) en de dagboeken van Anaïs Nin.
Het is juni en ik verlang naar shoppen en de dood. Mijn borst is kil, mijn mond dom. Ik betreed de kantoorruimte met branie. Klop, klop, hallo, hallo. Aardige kantoormeisjes. Slinkse mannen. Allerlei nonsens. Wie is die vrouw? Zij eet boterkoeken aan mijn desk, zij is handig in de omgang, hanteert papierschaar, nietmachine en klavier alsof haar handen ervoor gehouwen zijn. Zij is heerseres van het Excel-sheet en beoefent alle kantoortaken vlek-ke-loos, op het huiveringwekkende af. Zij is een engel. Zij heeft mijn gezicht en zij bloost.
Ik houd haar in de gaten. Wanneer de vergaderingen zijn afgelopen en haar verplichtingen — de inventaris van kantoorgerei opmaken, mails beantwoorden, koffie zetten — volbracht zijn, zit zij met een uitgestreken gelaat en statische perfectie achter mijn computer, waar zij arbeid simuleert door Post-its heen en weer te schuiven. In werkelijkheid bekijkt zij één voor één video’s uit de camerarol op mijn telefoon: opnames van mijn lichaam in leren bretels, of mijn gezicht achter een hondenmasker in close-up. Zij verwijdert de video’s en haalt ze vervolgens weer uit de map ‘Recent verwijderd’. Zij kijkt net zolang tot de beelden haar netvlies niet meer bereiken.
Om zeventien uur verlaat ik de desk en begeef ik me naar mijn afspraak in de hotelkamer. Ik neem mijn tijd en laat het heden op me inwerken. De avond is rokerig roze, van een ongenadige nostalgie. Straatwerken liggen stil. Studenten vluchten de stad uit om hun kleren door moederlief te laten wassen. Onderweg eet ik een boterham met kippenwit, schmink ik mijn ogen, en haal een klatergouden halssnoer uit mijn handtas. In het raam van de metro zie ik hoe het halssnoer mijn nek doormidden snijdt. Ik geniet van dit aanzicht. Ik beweeg doelgericht naar een iconische status die ik nog niet kan aanraken. Want straks zal hij me aangapen. Hij zal me in zijn handen nemen, zijn onderlijf tegen me aandrukken en me bij de keel grijpen, het bed opwerpen. Hij zal mij redden van mijn dagtaken. Mijn burgerbestaan is draaglijk omdat ik buiten kantooruren Anaïs Nin ben.
De hotelkamer is enigszins sjofel, ruikt naar tapijt en goedkope wijn. Het uitzicht reikt over driehonderdzestig graden hotelkamers, de meesten donker, enkelen actief. Ik schuif de draperieën helemaal open en zet mij klaar, gebukt onder een vormvaste onderwerping — mijn inertie is corrupt — en zodoende traag in mijn bewegingen, het toneel betredend. Zijn jongensbenen betreden het tapijt, lichten op in het witte licht van de plafondlamp. De avond is een zweep. Wij drinken wijn en wij zwijgen. Wij kleden elkaar uit en wij zwijgen. Hij neemt enkele foto’s van mij en ook dan zwijg ik; ik steek mijn billen in de lucht, poses imiterend uit video’s die ik eerder heb bestudeerd. Klik, klik. Tik-tak, tik-tak. Periodiek zijn de bewegingen, als bij een streng ritmische dans. Ik verweer me niet. Klamme handen, woeste matras. Hij begint beneden, klimt naar boven. Hij benadert me als een dier wanneer zij plotseling opduikt in mijn geestesoog. Smalend en gelaten als een dode neemt zij mijn lusten waar: onder haar engelenaanblik veranderend in niets anders dan vodden.
Ik sluit mijn ogen en betreed het mausoleum van mijn denken: ontslagen mijnwerkers, kinderlijven met schapenkoppen, tanden. Ik lig in een plas zonder kleur, mijn lichaam slechts haar eigen conditie. Ik val stil maar ik wil roekeloosheid. Ik wil verbrand worden, maar moet berusten in deze frigiditeit. Alsnog ontvang ik, omdat ook deze scène gearchiveerd, gematerialiseerd kan worden. Later, wanneer ik wederkeer en alleen ben. Dus ik luister naar de kreten van zijn magere zondeval. De triomf van een slachtoffer. Als een gevild konijn ligt hij midden op het matras, in de handen van de engel, zijn mond teder en dicht bij haar madonnagezicht. Er rolt een zilveren traan over haar wang en ik weet weer dat ik me moet schamen voor mijn zonden. Ik kijk haar aan. Ze streelt me bijna bewegingsloos.
Zij heeft weet van het einde. Het afscheid gelijkt op elke andere nacht. De halsketting rinkelt bij zijn vertrek als een kreet. Ik weet dat ze mij vergiffenis zal schenken omdat de finale in haar handen rust.
Een vrouw kan een stilleven zijn.
Zijn afwezigheid is gevoelig, schroeit me pijnlijk. In alle eerlijkheid schrijf ik. Zittend op het hotelbed, mijn rok om me heen gespreid en zijn vertrek nog in mijn palmen noteer ik. De hemel zwijgt. De zomeravond is heet, maar ik ben compleet onverschillig voor de weersomstandigheden wanneer ik niet in zijn bijzijn vertoef. Ik schrijf met een ijzingwekkende toewijding. Proper, kraaknet. Ik beef terwijl ik dit schrijf, ook al ben ik helder van hoofd en hart. De avond is voorbij. Ik zie hem nog binnenkomen, mij de mond snoeren met zijn gestalte. Ik spoel mijn geslacht met beelden: zijn lange vingers in mijn schoot gevouwen, als een kransje rond mijn schaamlippen, mijn aars opengesperd als de zon. In gelid opgestelde plaatjes werken op me in, een fotografische naaktheid die tot leven komt, in flitsen. Ik giet deze beelden uit op het papier — mijn redding — en knijp in mijn tepels terwijl ik de engel in de ogen kijk. Zij sist in mijn oor met haar zoete adem. Zij dwingt zich wederom op het papier, maar ik ben in staat tot fijnzinnige perversiteiten. Ik houd de warboel intact. Het geweld heeft me niet werkelijk bereikt, toch kan ik erover schrijven. Ik denk paardenzweep. Een mens heeft twee handen. Ik zet de pen en leg de andere hand op het geslacht, herhaal dit, tast door. Ik hanteer de pen met daadkracht. Dan neemt zij de papieren van het beddenlaken met haar soepele handen, verscheurt ze en gooit de snippers door het raam. Ze kijkt me aan alsof zij onaantastbaar is. Zij kijkt me aan en ik vergeef haar. Ik vervloek haar.
De dagen gaan voorbij als in elkaar schuivende vlakken. Bloedhete, lijdzame uren. Tijd is een klauw zonder vergiffenis. Ik wandel door het huis in mijn dunne nachtjapon, ik herinner mij eraan dat ik een eerstgeborene ben en bestel synthetische kledingstukken in promotie. Ik ben een wankel wezen. Ik bekijk het van dag tot dag. Ik laat de telefoon rinkelen, hoor de vliegen stikken in de kleefslinger. Ik maak doeken nat en leg ze op mijn benen. Ik sta voor het open raam van mijn slaapkamer, met kille gedachten. Ik lak mijn teennagels rood en schmink mijn kaken om naar mezelf te kunnen kijken in een handspiegel. Mijn ijdelheid is zichtbaar. Ik accepteer haar. Duld haar. Als ik de telefoon wil nemen om hem te bellen, legt de Engel haar hand op de mijne, bedekt zij met haar andere hand mijn mond. Zij heeft weet van moraliteiten, en zegt mij: men hoort een gehuwde man niet lief te hebben.
Het is september en ik verlang naar winter en werkloosheid. Ik wil vrij zijn maar zit wederom aan mijn desk. Het leven gaat door. Er is geen loutering en ik leg geen rekenschap af. De engel is hier ook. Haar hoofd reist als een buste op in mijn ooghoek. Uit graniet is zij gehouwen, blakend van gezondheid, steeds zoekend naar een puurheid die zich nooit-niet voltrekt. Als de baas de kantoorruimte binnentreedt, toont zij hem trots welke cijfers zij gehaald heeft, welke winst zij heeft gegenereerd. Samen verlaten wij de desk. Samen nemen wij de tram. Thuis kookt zij aardappelen en bespreekt zij frivole zaken met vriendinnen aan de telefoon. Ze spreekt over boeken die zij heeft gelezen. Zij is financieel zelfstandig en heeft de hypotheek van haar huis bijna afbetaald. Zij is genadig en kijkt naar het uitzicht op de grootstad, naar de wolkenkrabbers, scherp en blinkend als tanden. Telkens wanneer ik wil bellen, legt zij haar hand op de mijne, en ik faal erin haar essentie te begrijpen. Wij kijken een soap, gaan tegen elf uur naar bed opdat wij morgen fris en monter zijn. Ik kijk haar aan, en neem haar hand. Ik ben ontredderd en vraag haar of ik mag gaan, maar zij houdt me vast, mijn hoofd tussen haar handen geklemd, en sust me in slaaptoestand terwijl ze me zegt dat ik mijn ziel niet in een andere dien te verbergen. Een man is niets dan een ziek dier, zegt zij. Een man is een lemmet. En dan verslap ik in haar handen, dan word ik een lome bloem in een uitgestrekt veld. Verveling is haar God.
In het midden van de nacht word ik wakker en voel ik een onverbiddelijke drang mij het inferno in te storten. Ik kleed me aan alsof ik een smerige huwelijksnacht zal beleven en laat haar achter in bed. Met natte handen en weluitgekozen ensembles dwaal ik door de stad die steeds heter wordt. Ik poseer in rotte steegjes of verlaten cinemazalen achter de lens van de man, terwijl ik mijn slipje uittrek. Ik ben niet vrij. Zij zoekt mij. Zij kijkt naar mij en veroordeelt mijn anorectische uitstraling, zij souffleert welke vitamines ik zou moeten innemen, dat ik spierverstevigende oefeningen zou moeten doen. Vooral zegt zij mij lijzig dat ik de pen dien neer te leggen. Ik kijk haar in de ogen terwijl ik mijn vitamines door het toilet spoel en mijn benen spreid in een desolate ruimte, de pen al in mijn hand. Wat moet ik dan? Telkens ga ik. Ik ga om aan haar kielzog te ontsnappen. Ik ga omdat mijn eenzaamheid geil en onverzadigbaar is. Ik stap door de deur, maak een pirouette en leg afstanden af. Ik verlang niet naar een volmaakte liefde maar naar een gebrekkige. In mij broedt een caleidoscopisch verlangen dat haar werkelijke weg niet vindt, maar zich kortstondig laat smoren door het vlees van zijn mannenlichaam. Dus ik leg me tussen de rozelaars van het hotel, wachtend tot ik zijn auto de hoek om hoor komen, kijkend naar de draden in de lucht. Ik bid om mijn plot. Niets raakt me aan. Ik ben rijp en eenzaam als de zon. Waartoe dient zij? Wie is deze koele vrouw met wie ik de tijd verdeel? Een gat, slechts een verzameling blikken. Dus ik ga. Telkens ga ik en als ik ben geweest, als ik mijzelf later bevredig en noteer, legt haar engelenvleugel een schaduw op mijn blad. Maar een vrouw vol schaamte zal ik onbeminnen, een charmante vrouw vol oordeel zal ik onbeminnen, uitwissen met de schrijvende hand.
Het is oktober en ik verlang naar een catastrofe. Zij is op kantoor, want zij verdraagt het moeilijk niet bij te dragen aan het nationale kapitaal. In het midden van het opstellen van een mail bevriest zij echter, turend naar de avondhemel en de volle maan die druipt. Men hoort de maan niet lief te hebben, zegt zij. En dan haat ik haar als een gebrokene. Deze toestand is ambigue en niet meer te verdragen. Ik open mijn pen, strek mijn handen en de zweep. Ik sta misplaatst in dit leven maar ik bemin, bemin, bemin. Ik ga naar hem toe, wederom. Mijn bekken druipt al. Ik doe de deur van het kantoor achter me toe en laat haar daar. Ik geloof alleen in roes, in extase. Geen muren meer.
Ik ben in het alledaagse, maar het alledaagse is slechts gering in mij.
Verantwoording
‘Men hoort de maan niet lief te hebben.’ is vrij vertaald uit Delta of Venus van Anaïs Nin: ‘One ought not to love the moon.’
Verschillende zinnen zijn integraal overgenomen, of in mindere of meerdere mate aangepast en overgenomen uit de dagboeken van Anaïs Nin.
Redactioneel / 04.10.24
Dossier
Not Only Fans
Verhaal / 14.05.26
Dossier
Not Only Fans
Beeld & Poëzie / 17.03.26
Dossier
Not Only Fans
Essay / 25.11.25
Dossier
Not Only Fans
Poëzie (& ingesproken) / 10.10.25
Dossier
Not Only Fans
Poëzie / 26.09.25
Dossier
Not Only Fans
Verhaal / 21.04.25
Dossier
Not Only Fans
Verhaal / 17.04.25
Dossier
Not Only Fans
Essay / 12.10.24
Dossier
Not Only Fans
Poëzie / 10.10.24
Dossier
Not Only Fans
Poëzie (& ingesproken) / 04.10.24
Dossier
Not Only Fans
Verhaal / 04.10.24
Dossier
Not Only Fans
Poëzie (& ingesproken) / 04.10.24
Dossier
Not Only Fans
Essay / 04.10.24
Dossier
Not Only Fans
Verhaal / 04.10.24
Dossier
Not Only Fans
Verhaal / 04.10.24
Dossier
Not Only Fans
Poëzie (& ingesproken) / 04.10.24
Dossier
Not Only Fans
Verhaal / 04.10.24
Dossier
Not Only Fans
Essay / 04.10.24
Dossier
Not Only Fans
Tekst / 04.10.24
Dossier
Not Only Fans
Essay / 04.10.24
Dossier
Not Only Fans