Val

Beeld & Poëzie / 10.03.26

HOMOSEMIOTIEK

António Manso Preto

Vertaling vanuit het Engels door Fannah Palmer.


Er waren weleens nachten waarop niets dan
Een brandende geur me wakker hield.



De exacte vorm van het geslacht door de jeans: rechter-
Hand in contact met de stof, terwijl de linker schrijft,

De beweging afgestemd op een ritme, of op
De stroom die maar niet komt & in plaats daarvan

Terug de urinebuis in vloeit &, teruggegeven aan het organisme,
Opdroogt & de hand elektrisch-schokt die schrijft;

Noodgedwongen leeft hij, of bewaakt hij de dagen, archieven,
De manchetten die de mouwen van een man bijeenhouden.

Dit alles voert me verder weg van het verleden, enkel

Om te achterhalen of er hier (nog), tussen
Het papier & het metaal, datgene zit wat zorgt

Dat minnaars hun lijven van elkaar losweken
Of van de koude muur. Vertrekkend,

Of dat jij dat doet waar ik bij sta.


Bijt in de zoom van de gestreken plooi in je shorts,
Kijk de nachtzon in de ogen; & gek

Als ik vergeet waar het noorden ligt, of de Haven
Waar het traditie is voor mannen om samen te komen

& unisono aan hun dronken touwtjes te trekken, een proces
Al die dingen & meer vergeet ik, ik tel ze elke dag

Met een bidsnoer bij de hand. Ik telde één voor één de bloemen
In deze ruimte, de apparaten & alles wat licht produceert.

Iedereen weet: collectieve ontkenning, of anders
Een gemeenschappelijk instituut, … En ik denk: soms gaat de tijd,

eenmaal gesmolten, gepaard met een vroegrijpe
maar vluchtige stimulus… En je vertelt me,

op een dag, om vanuit vluchtigheid te leven… En kweenie
’t is alsof de tijd aan de keta is of zo

af en toe… alles ondergedompeld
in een soort ether, vervlogen maar geliefd…



Je vertelt me dat de kelder een nieuwe verwarming heeft,
& ik lach. Anders zou ’t er veel te fucking koud zijn

Om er zowel naakt als niet-rillend te zijn. Eindelijk
Zegt de man, lichtelijk bezopen. Een pantervloerkleed onder

Een salontafel onder de twee laarzen, die tot
Aan de knieën reiken & meebuigen. De mijne,

Daarentegen: op de grond, rood & verhard.
Er is niemand meer die naar ze kan kijken.

Wit & zwaarmoedig raakt een hand de achterkant
Van mijn nek & de ruggengraat, uitgerekt & vochtig,

Staat zichzelf een keer toe te ontspannen. Ik zei al mijn afspraken af
Zoals ik ook zou doen als ik daar was & niet hier. Eenzaamheid,

Ze verslindt je levend als het gebrek verwordt tot opening.
Voor de verandering voel ik me één met de metaalachtige nasmaak

Van je borst, het ritme van de dood bevestigt
Zichzelf in de afwijkende structuren van het leven. Je zegt

Een christus zonder kruis is een winnaarsfantasie.
Ik, daarentegen, ben niets dan tast,

Banken van leer. De fouten, de rots, het lichaam
Ongeëvenaard. De zee, de langgerekte over-en-weer-

Misvattingen & gauw, terwijl de nacht zichzelf
Naar binnen zoekt, de kleur uitdiept, of de tunnel, of

Het gebrek aan alles wat kan worden uitgediept.
Wat wil zeggen dat we oppervlakkig zijn gestegen.


In een rijke stad hebben we de schuld van noodzaak op ons genomen.

& nog één laatste gedachte
Volgde, vloeibaar gemaakt, professioneel:

De liefde heeft niets goeds voor ons betekend.

De urn moet nog worden afgerekend; ziek
Alleen het lichaam, de cellen stralen een tijdje geen warmte

Meer uit. Een kasteel, maar iedere baksteen versmelt
Met de voorgaande. Ooit zei je tegen me niemand

Wacht tot water kookt enkel om te wachten tot het
Verdampt.
Te weten: meestal, of, elke keer dat ik je zie

Sterft er een zeeman, heb ik ontdekt, & een enkele keer ik bedoel
Meestal, als ik naar een kroeg ga waarvan ik weet dat jij er vaak komt,

& onder de tafel per ongeluk een stuk kauwgom streel
& ik weet dat dit een stuk kauwgom is dat jij erop geplakt kan hebben,

Of ook per ongeluk gestreeld, op een andere dag onder
Dezelfde tafel. Dan voel ik dat diep vanbinnen. De kaart

& de structuren die we aan elkaar opdringen,
Het dialogisch ongedaan maken van seks onder de tafel.

& ik denk dat ik er gewoon iets achter zoek of een gebrek oproep.
& onder de tafel zit dat gebrek. Raap het op!


Geef het vorm, was zijn voeten. Kom bijeen, open de vergadering.
Ontbied het, kus zijn handen, die tijdens verkeer

De spieren rond de dijen spannen &
Nieuw leven in het handschrift spuiten. Vanavond,

Verdicht of verhard, diept je zweet
De wond uit van de bodem terwijl die

De voeten verbrandt van hen die zijn vergeten
Hun schoenen aan te doen. Als sterven dan toch moet, als

Ik naar mannen kijk met dezelfde blik
Als altijd & de vierduizend pijlen,

Fel & scherp, op mijn borst zijn gericht; Angst,
Zodra het haar ontbreekt aan gewone of normale samenhang,

Brengt het lichaam elke keer naar nieuwe appartementen.
Onbezonnen is het, als de zon op de oranje nacht;

Sla de drank achterover, neuk de man in het blauwe pak,
Omdat-ie een schilder is, of een lobbyist, of iets


Daartussenin, lakens & de nieuwe sokophouders: een groot
Rood letsel op een plek waar ik me gewild voel

& er zitten vier hechtingen in mijn keel; Pasolini,

Ik heb je over hem geschreven, & het gebrek aan wat er nodig is
Om ons te laven aan de dingen die zich opstapelen zodra

Je de achtervolging inzet, alsof onverhoeds, Hard
Overdreven, Bezopen, de consequentie helemaal

Niets van het leven zou vragen…

António Manso Preto is een Portugese schrijver en kunstenaar, wonend in Amsterdam. Hij behaalde zijn bachelor in Fine Arts met een specialisatie in Multimedia aan de Universiteit van Porto (FBAUP), en is momenteel bezig met de master Critical Studies aan het Sandberg Instituut. António maakt onderdeel uit van "A Leste," een queer collectief en expositieruimte in Porto gerund door kunstenaars. Zijn werk bevindt zich op het snijvlak van publicatie, video, beeldhouwwerk en fotografie, en heeft zowel een emotionele benadering als die van een archivist. In zijn meest recente werk onderzoekt hij de mogelijkheid van een homoseksuele semiotiek, cruising als symbolische praktijk, en de geliefde als personage in aardse mystiek.

Meer van deze auteur