Lopende zaken 2021

Verhaal / 25.02.26

(De) Letterlijken

Ravi Rosoux

0.1

‘s Anderendaags had ik een ontregelende gedachte, maar om die prijs te geven moet ik eerst toelichten hoe mijn bladspiegel eruitziet tijdens het schrijven van deze woorden: het scherm van mijn computer is wat vuil – spikkels van onbekende aard en vette vegen – tien openstaande tabbladen, respectievelijk: een tabblad met de tussenstanden van de Champions League, een tabblad met de tussenstanden van de Bundesliga, Instagram, Messenger, twee tabbladen Chess.com, een tabblad Synoniemen.net (‘zeggen’), een Youtube-video over narcisme, een Youtube-video genaamd A NEW DECADE OF WAR, een Youtube-video: 8 HOURS of Fascinating Sunset over the Tropical Beach with Calming Waves Sounds (4K UHD) waaruit het geluid van constante branding weerklinkt, eeuwige valavond. Tenslotte het tabblad waarin ik schrijf (dat eigenlijk het derde tabblad is in de balk), daarenboven is het venster dat deze tabbladen waarborgt niet schermvullend en het bedekt bijgevolg de helft van het venster van mijn kalenderapplicatie, dat op zijn beurt een solitair-applicatie (ik verloor de partij), waarvoor je geen internetverbinding nodig hebt, vrijwel volledig aan het oog onttrekt.

Ik kan met bijna volledige zekerheid zeggen/vertellen/beweren/aankondigen/uitdrukken, inbrengen/verkondigen/opmerken/verklaren/verwoorden/uitspreken/spreken/uiten/uit- brengen/vermelden/meedelen dat dit de eigentijdse equivalent is van schrijven met een ganzenveer gedoopt in Indische inkt. Laat ik het zo zeggen:
HET BLAD IS NOOIT BLANCO TEGENWOORDIG.

Dat gezegd zijnde, de ontregelende gedachte (zwetend en ijlend onder de lakens, mijn hoofd losjes hangend over de bedrand, een vrucht die bloedrood zwelt, rijp en plukklaar, en mijn lichaam droomt en denkt het onderstaande):

De herkomst van beweging:
Ik weet dat stenen tuimelen wanneer je ze van een helling rolt en dat watermoleculen trillen en wegschieten bij het stijgen van de temperatuur, maar wat maakt dat er op iedere stap een stap moet volgen? en daarna nog één i.p.v. … ik zeg zomaar iets: een spontane ontbranding; of een verdubbeling. Dat er na iedere stap twee stappen komen – die van mij en degene naast me en degene naast mijn naasten –, machtsverheffingen met exponent X,
duid het kruisje aan om de tabbladen te sluiten,
en ik betrap mezelf in mijn weerspiegeling op het donkere scherm.
Ik betrap mezelf in
beweging zonder herkomst.

(zombie)

1.0

‘s Anderendaags beeldde ik me twee geliefden in. Ze huren een kamer (in de betekenis van het woord, een kamer: vier muren, een dak, een vloer – geen deuropening, want eens binnen ben je binnen en eens buiten ben je buiten) met een bed waar ze samen in slapen. Hun overige tijd – het ochtendgloren, de middag, valavond en bijgevolg hun leven – besteden ze in volkomen afwezigheid van de ander. Pas rond middernacht, quasi gelijktijdig, zijn ze in de kamer. Voor het slapengaan wisselen ze kort van gedachten.

<De één helemaal onder de lakens, van kop tot teen. De andere met de armen, schouders, sleutelbenen, hals en hoofd boven de lakens.>

-Kun je me zien?

-Nee, je hebt je onder de lakens verstopt.

-Ik kan jou wel zien.

-Hoe dan?

-Ik kan je ribben zien, je heupen, de huid eromheen.

-Maar je kunt mij toch niet zien. Je ziet mijn lichaam.

-Ben jij dat dan niet? Die ribben, die heupen en de huid eromheen.

-Dat – die, die en de – maakt deel uit van mij. Ik ben een optelsom. (a)

-…

<De slaapgezel onder de lakens, bijt in de vinger van de andere en schraapt, na enige terughoudendheid, diens vlees teder en vakkundig van de koot.>

Ik beeldde me in dat ze vervolgens beurtelings happen nemen uit elkaar alvorens een diepe slaap te vatten. De volgende dag scheiden hun wegen, beiden minder zichzelf, steeds meer de andere, alsook minder naarmate ze in elkaars magen verteren.

<Iets over middernacht: de slaapgezellen (de bolling van het laken zinspeelt op een menselijke vorm, maar verbergen eveneens tandafdrukken, open wonden en ontblote zenuwen) kreunen klagerig. Ze strelen hun buiken die onregelmatig rommelen. De ene kust de aangevreten schouder van de andere, liefkoost en likt de gelooide ribbels van de geopenbaarde schouderspier, knabbelt vervolgens aan de oorschelp, terwijl de andere onbewogen luidop mijmert.>

-Hebben we niet alles al beleefd in die eerste nacht samen? En in het gezelschap van elkaar het gezelschap van iedere persoon op aarde reeds ervaren?

<De andere peutert een stuk kraakbeen van tussen diens tanden, alvorens:>

-Hmmmjamj – wat?- Ja… wat jij zegt, mag ik je onderbroek uit doen?

-Doe maar… ah… hagnj… aaaaaah… oh… OH… aaaaaaaaaaaaaAAAAh/Ik denk niet dat wij speciaal zijn. Ik denk dat alles dat we voor elkaar voelen, we ook bij anderen zouden kunnen voelen, juist daarom ben ik tevreden met jou, want ik was het zoeken beu.

<Vanonder de lakens tevoorschijn komend, zegt de ene.>

-Heb jij – wil jij – metmij?

-Wat?

-Zoujij – kanjij – jijmij – opmij – inmij – mijij

-Mompelpoes.

-jijmijjijmijjijmijjijmijijmijij

-Wat moòmpelpoesje?

-kbenopgwonden..

-Ja allemaal goed en wel brabbelmuisje maar we zijn geslachtloos.

-mja, mindrdandazelvs – pstervenadood.

-Wil je erover praten? Gebruik je woorden.

Vervagende tekst

-Het maakt mijn geest niet uit dat ik fysiek niet in staat ben om seksuele verrichtingen uit te voeren, de inbreuk op mijn lichamelijke integriteit is niet evenredig met die op mijn geest. Mijn geest blijft onaangetast en smacht – momenteel – naar coïtale prikkels, mijn geestesgeslacht is stijf en nat en kloppend in absentia. Wanneer de opwinding intoomt, blijft er nog de vraag of dit fenomeen op andere zaken van toepassing kan zijn. Misschien wordt ons lichaam niet heel geboren? Verliezen we in wording delen die intact blijven in onze ziel en hebben we tengevolge daarvan neigingen en dwanggedachten, dromen zelfs, die allerminst in woorden gevat kunnen worden, laat staan in daden. We hebben misschien duizenden kloppende geestesgeslachten waarvan we de vorm of het orgasme nooit zullen ervaren. Daarvan uitgaand misschien kunnen we onze geesten doggy laten neuken, of reverse cowgirl, gezamenlijke geestelijke felatio – metafysisch swasontneuffe – (blijf praten, prikkel mijn zinnen, oh ja! Billeklets conventies! Spreek me tegen! Spreek jezelf tegen! Mompel! Articuleer, leg me de woorden in de mond (Contradictio in terminis)!)

<Alvorens hun ogen te sluiten – kussen ze en zetten ze hun tanden in elkaars lippen, maar de slaap wint van hun honger, en ze dommelen in, bot tegen bot.>

Metro, voetpad, stoeprand, glazen klapdeuren, kartonnen zakken, een kennis, een koffie, gang van zaken.

<De geslachtsloze slaapgezellen liggen samen in het bed in de kamer. Na talloze nachten en gedachtewisselingen blijft er weinig van hen over. Bleek en als twee druppels duplicaat en dus één. Ze rammelen en woelen, geen maag meer dus de honger stilt niet en ze kunnen niet slapen. De lakens, die tot aan hun kinnen opgetrokken zijn, bedekken en verbergen hun gevilde lijven.>

Daarna een makkelijk beschrijfbaar maar onmogelijk in te beelden beeld: monden die elkaar kauwen.

(zombie), ik probeer het woord te vermijden,
zet het daarom tussen haakjes, alhoewel ik
het er eerder aan zou willen ophangen,
vleeshaken door de mulle schouders, de
hoogte in getild, opdat iedereen het kan zien
graaien; die dood die maar niet eindigt.

(zombie)
 zombie

(a):
1. Ik + jij = jij en ik
2. Ik • jij = wij
3. Ik • jij = wij ⇔ Ik = wij/jij en Ik + jij = jij en ik ⇔ Ik = [jij en ik] - jij
4. Ik = wij/jij en Ik = [jij en ik] - jij ⇔ wij/jij = [jij en ik] - jij
5. wij/jij = [jij en ik] - jij ⇔ wij = {[jij en ik] - jij} • jij
6. jij • jij = jullie ⇒ wij = [jullie en wij] - jullie
7. wij = [jullie en wij] - jullie ⇔ wij = wij
8. wij/wij = 1

1.1

Kindertijd: een aaneenschakeling van binnenshuize avonden. Mijn kamer als omhulsel van een eindeloze schemer. Het wordt geleidelijk donkerder, achter ieder duister een duisterder verscholen als een licht dat meermaals uitknipt, de hoeken en de muren transformerend tot onuitputtelijke bronnen aan onthullingen: stoelen die mensen worden en dan weer stoelen en dan weer monsters, die me nachtenlang wakker houden, mijn kinderlichaam bezweren met woeling, en wanneer ik mijn ogen sluit, gedachten worden:
binnen vijf miljard jaar zal de zon uitdoven – dat jaagt me schrik aan, want het lijkt me – ik zie het – een eindeloze aaneenschakeling kindertijden: –

  Er is geen vuur in de kosmos, enkel hier op aarde, want een vonk heeft zuurstof nodig om te ontbranden en de kosmos is eindeloos vacuüm. Menig twistzieke dwarsligger zal me (zonodig) de zon aan de neus willen hangen – dat gespuis heb ik maar één ding te zeggen: de zon bestaat niet, heeft nooit bestaan.
Kom me ‘s nachts tegen
het lijf lopen – alle lijven lopen.

De geliefden troepen samen, lange zwart mouwen, lange zwarte broeken, sommigen bedekken hun gezicht om de aanvrat te verbergen. Ze zijn onherkenbaar, daaraan herkennen ze elkaar. Ze zijn allen minzaam hetzelfde lot ondergaan en hebben bij het liefhebben, gehad, gehouden, niets overgehouden. Er rest hun honger, maar bij afwezigheid aan magen om de honger via te stillen, rommelt het in de straten. Het is hoofdelijk, honger als idee: er is te veel, veel te veel… voor veel te weinig.
  Wij willen meer:

Enter the night/enteren de nacht, ontroeren het schip, zetten het op ramkoers met – tabblad open:

AANVARING MET DE ORDEDIENSTEN/PROTEST ONTSPOORD TOT RELLEN/ LOSGESLAGEN GELIEFDEN HARDHANDIG NEERGESLAGEN: TWINTIG BETOGERS GEHOSPITALISEERD, TWEE AGENTEN MET BIJTWONDEN AFGEVOERD NAAR SPOED/KLEINE BRANDJES VERSPREIDEN ZICH ALS EEN LOPEND VUURTJE/BEVEILIGINGSCAMERA’S CAPTEREN GEMASKERDE GELIEFDEN DIE-

Het geluid van eeuwige branding galmt over de beelden. Ik ga de bovenbalk af, vind de Youtube-video en klik het weg, maar het weerklinkt nog steeds.

Ik open het venster en ik zie dat ik geschreven heb, wat ik geschreven heb.

Er wordt aangebeld.

1.2

Eens aangekomen bij de rechtbank, besluit ik om te dagdromen en daarbij af te dwalen naar een vroeger tijdstip. Ik heb een hekel aan volledig aanwezig zijn – ik wapen me ertegen – in feite moet ik het anders beschrijven. Ik vind rust in het sluiten van mijn oogleden, waarachter een duister kolkt, figuren en patronen waarborgend die een benaderbaar moment bevaren waarop het me allemaal zal dagen, weken, maanden, jaren zijn verstreken zonder voorbij te gaan.

Ik ben blijven hangen bij een vroeger tijdstip (‘s anderendaags, enz.) en heb mijn lichaam laten voortgaan: de deur uit, de dagen door … weken en weken waar kwaaltjes een kaart van ongemak en opluchting in optekenden, temperaturen die het deden rillen, verkleuren, ontspannen, wonden die het instinctief openkrabde, de onverbiddelijkheid van het genezen, de onderwereld van ingewanden, organen, bloedbanen en al dat onbereikbare lijfelijke en d.w.z.: krampen, hartkloppingen, kortademigheid, zenuwbeknelling als mankementen aan een naadloze machine, dat lijf dat niet wist noch weet wat het zichzelf aandoet, geen flauw benul heeft van hoe het in sé werkt – de handen die niet weten hoe een cel te delen, de ogen die niet weten hoe een appel te verteren, de tepels die niet weten hoe een ziekte te bestrijden, al die witte, T-, B-, bloedcellen die niet weten dat het lijf niet begrijpt waarom het leeft.

In de tussentijd: ik, – achter mijn gesloten ogen vormen de figuren en patronen de plaats delict (b) – mijn misdaad herbelevend in perpetuum. Een dubbele passiemoord waarvoor mijn lichaam wordt voorgeleid bij de rechter.

Dagvaarding. (c)

Niets is zonder gevolg. De strafrechter vraagt me waarom ik kannibaliserende geliefden heb neergepend: u had ook gewoon een romance met meeslepende intriges kunnen verzinnen, waarmede u dezelfde uitkomst had kunnen bekomen, daarenboven is het duidelijk dat u de taal hoger in het vaandel draagt dan het welzijn van uw personages, om nog maar te zwijgen over uw volledige lak aan ietwat betekenisvolle inhoud. Wat heeft u hierop te zeggen?

Mijn advocaat, zijnde een schoothondje (behorend tot het ras der Brusselse Griffoenen) dat kan spreken maar daar het nut niet van inziet (zijn aanwezigheid kalmeert me, menselijke advocaten begrijpen de nuances van literair strafrecht niet), toont zijn tanden en gromt vervaarlijk, vertedert hiermee de rechter en de procureur die mijn literaire schepsels representeert.

De rechter, zijn rechterlijke houding hernemend, vraagt met rechtvaardige intonatie: beklaagde, welk doel beoogde u met deze tekst?
Ik werp een snelle blik naar mijn advocaat die braaf zitjes doet en aandoenlijk hijgt en leid hieruit af dat ik het podium mag bestijgen.
Uit de stilte die meester is van de rechtbank stijgt een tweede stilte op – wat ervoor zorgt dat woorden kunnen blijven bestaan in deze ruimte zonder uit te doven, als woorden op papier. Ik wik en weeg, zou het onhebbelijk vinden om een ‘euhm’ of een stotter te doen kristalliseren in deze dubbele stilte – “welk doel beoogde u met deze tekst?” – en besluit:

Ik bedoel wat u begrijpt.

De zin hangt onontkoombaar in de nok van de rechtszaal. Al wordt de dubbel-doen-plooiende stilte niet doorbroken, ik beslis om er geen woord meer aan toe te voegen. Uiteindelijk de rechter:

ik begrijp er niets van., en dan ik: dan bedoel ik niets, en dan de procureur: dan beschouwt u mijn cliënten dus als zinloos!, en dan ik: ik beschouw ze door de ogen van mijn lezers., en dan weer de procureur: ik beschouw ze als slachtoffers van uw perverse verbeelding!, en dan ik: daarom dat ik u neerpen om hen te verdedigen., en dan mijn advocaat: Garrrrww wroooef!

En dan walst het protest binnen geruisloos, homogeen als het woord waarmee ze bestempeld worden.
protest

en alles wat ze declameren stijgt op naar het plafond en al pratend maken ze van de rechtszaal een blad dat wordt volgeschreven:

Wij die sinds mensenheugenis verstopt zitten in
alle teksten! Met spijkers gegrift in kleitabletten,
papyrus, de griffel! Wij voerden Odysseus weg
van Ithaka, hebben koning Gilgamesj door de
onderwereld geloodst op zoek naar Enkidoe,
hebben steden platgebrand, alle liefde geleden, wij
hebben de wereld al duizendmaal doen vergaan
vanuit de stilte van een dienstbodekamer! Wij,
wij ondermijnen de rechtszaak! Het is opstand!
Het is opstand! Het is op staande voet, of de
revolutie op je hals halen! Wij zijn de letters van
ieder manifest, die gelezen maar nooit begrepen
worden! Wij zijn de avant-garde, het
kanonnenvlees! Wij zijn de letterlijken/de zombies
van tekst! Wij dolen door je ontspanningslectuur
en vakantiebrochures met onverzadigbare
honger en voor je het goed en wel beseft hebben
we je in je arm gebeten, lezertje, en voor je het
weet ben je je dwaze gedachten aan het
neerpennen schrijvertj-…

De rechtszaal vult zich met tekst. Wij buigen het hoofd, hurken, daarna plat op de vloer – mijn advocaat gromt en kajiet – tot de letteren ons verpletteren en we sterven onder het gewicht van hun laatste woorden:

…-wij zijn geen eendagsvliegen! Wij zijn de
ontkenning van de uitspraak: leef alsof het je
laatste dag is. Wij leven voor de eeuwigheid! Wij
zijn het kristalliseren van herinnering. Wij zijn
wat wordt eens het gebeurd is! En mocht het toch
zover komen, ons laatste uur geslagen, dan
zouden we er onderuit proberen te komen, het
ontlopen! Ons ergens verstoppen waar de Dood
niets te zoeken heeft.



(In een tekst, daar waar dingen die gestorven zijn komen om te leven.)

Het protest, de letters, in essentie alles buiten ik: alles lossen jullie op.
    Jullie






























 lossen










































        op.

(b):
Een kamer in de betekenis van het woord.

(c):
Klinkt mooi. Als iemand die afscheid neemt van een boot zonder er het woord voor te weten.

1.3

De hele wereld staat in lichterlaaie en iedereen vraagt
   wie o wie?
   maar ik niet. Ik ga ervan uit dat ze een goede reden hadden, en zolang de hele wereld integraal moet geloven aan dezelfde toorn: jong en oud en je moeder en een bakker ergens heel ver weg en ook iemand die echt heel veel verdient, dan is er wat mij betreft ons geen onrecht aangedaan. De enige overlever zijn in het niemandsland? (d) Nee bedankt, ik zou me dood vervelen.
   De gloed valt in de vorm van het venster mijn vertrek binnen, in tegenstelling tot buiten waar het alles bedekt en het bestraalde besmet met vormeloosheid – iedere hoek, buiging of lijn herleidend tot beweeglijk moes. Het dient zich onweerlegbaar aan, en voedt bijgevolg geen grijntje verbeelding – leent zich uitsluitend tot beschrijvingen – het vernielzieke licht is mijn enige lichtbron en het stelt mij dus in staat om te schrijven, om het te schrijven wat langzamerhand mij en het mij omringende aan het wegvagen is, dus nog een paar woorden alvorens dit noodlot.

De vloer, de plinten en de muur beginnen te vibreren door de straling die steeds meer op vloeistof gaat lijken, de manier waarop het zich gedraagt: het schijnsel morst de ruimte binnen, de manier waarop het mij behandelt, het kozijn, het daaromliggende dak, de steunbalken ontbindt – het is alsof alles uit vuur is vervaardigd dat niet brand. De straling herleidt alles tot een soort… “worden”: – een constante staat van afwisseling: wat niets is wordt meer, wat iets is minder;

Stort me in het licht: ik wil niets liever dan worden.























(d):
daar op de plek met enkel wind
waar ook jij niet bent
geen plastiek zak
of dorre bladeren
enkel wind

0.2

Soms verbeeld ik me de onsterfelijke mens; die – ondanks diens onsterfelijkheid – iedere avond naar de zonsondergang gaat kijken.





Ravi Rosoux (°2001) schrijft. Het liefst in het wilde weg. Geen conventies, alles ondergeschikt aan de richtingloosheid. Hij werd gepubliceerd in Kluger Hans, resideert in Het Watlab en stond op de shortlist van VloedSchrijft. Hij heeft met DansDichterDans de podia bestegen van De Roma en TAZ. Momenteel werkt hij aan zijn debuutroman, aan de dingen die hem daarvan afleiden en er terug naartoe brengen.

Meer van deze auteur