Redactioneel / 10.03.26
Val
Dossier
Val
Verhaal / 10.03.26
Hulde aan diegene die hun Mercedes het gemeentehuis in rijdt!
Twee jongens gleden uit in de douche en vielen in elkaar. Zo begon deze vreemde, vreemde geschiedenis. Er stond iets te gebeuren. We wisten niet wat. Te gebeuren stond het desalniettemin.
Ook ging de sigarettenfabriek dicht. De grootste werkverschaffer van de regio. Verhuisde naar een land met lagere lonen. Onzin, spraken wij, als wij al tomatensap verwarmen bij wijze van soep, wat moesten zij dan eten? Het kostte menigeen het verstand.
Eddie Sticker is een goed voorbeeld. Hij kreeg een klap van de molen! Bij het zien van het lege fabrieksterrein achter het dorp over de dijk, waar alles op de hekken na, hekken om een leeg stuk zand, weg was, kreeg hij een openbaring: hij sprak: alle orde op de wereld hangt nu af van één enkel schroefje dat alles bij elkaar houdt, en ik zal het moeten vinden, zo sprak Eddie Sticker, geobsedeerd met het idee dat de volledige deregulering van alles wat iedereen voor lief nam in zijn handen lag. Hij liep door de straten, liet zijn boormachine klinken alsof hij daarmee het schroefje kon lokken, zoals je zou doen bij het zoeken van een vermiste kat, en demonteerde: alles. Zitbankjes. Schuttingen. De hekken van het hertenkamp. Ook simpele auto’s konden niet zonder risico op straat worden geparkeerd.
In ieder geval.
Toen werd hij pas echt gek: iemand vroeg hem: hoe weet jij eigenlijk dat het niet dit schroefje is, terwijl hij wees naar zijn bril, of deze, terwijl hij wees naar een van de schroeven waar iedereen zijn jas aan op hing in de kroeg, of de miljoenen andere waar alles hier mee vastgenageld is. Hoe lang denk je wel niet dat dat gaat duren? En dat gezegd hebbende, wie heeft ooit gezegd dat jij, Eddie Sticker, de held van dit verhaal bent, en niet eenderwelke idioot met een schroevendraaier? Er zijn helemaal geen helden en dit is geen verhaal. Daarbij, ging de man verder (Eddie Sticker begon inmiddels te schuimbekken), had hij wel stilgestaan bij wie hem de openbaring had bezorgd? De enkeling die nog wél de mis van de nieuwe pastoor bijwoonde moest een veiligheidshelm dragen sinds een vallende baksteen een ruw einde aan een doop had gemaakt. (Waarmee hij wilde zeggen, dat als God überhaupt de boel nog in de gaten hield, Hij zich wel als laatst zou bekommeren om Eddie Sticker. Hier leefden we in de dode hoek van de Schepper.) Ze moesten de arme Eddie neerslaan met de stompe kant van een brandbijl.
In ieder geval.
Mijn vader is ook een goed voorbeeld. Al werd hij pas later gek. Als een bom viel zijn gekte. En toen reed hij zijn Mercedes het gemeentehuis in. Maar dat was lang nadat hij werd ontslagen bij de sigarettenfabriek, de grootste werkverschaffer in de regio. En op de dag dat hij met het juridisch excuus van een bonus en meer tijd voor handen dan hij ooit had gehad naar huis fietste zag hij zijn machine, de machine waar hij veertig jaar aan had gewerkt, had gekneed, die hij tot ongekende snelheden had gedreven. In de tijd dat wij een ijsje konden bestellen bespikkelde de machine het oranje uiteinde van het filterpapier van meer dan duizend sigaretten. Nu bungelde het aan een kraan van een convoi exceptionel. Toen wist hij: er stond iets te gebeuren. Hij wist niet wat. Te gebeuren stond het desalniettemin.
In ieder geval.
Mijn vader werd ondernemer, omdat iedereen hun mond zo vol had van dat woord — zoals iedereen eerst nog hun mond vol had van het woord ‘arbeider’.
‘Ondernemen’ klonk aanlokkelijk, het was technisch gezien het tegenovergestelde van wat mijn vader het liefst deed, namelijk in bed liggen. Er niet meer uitkomen. Series kijken. Op tv. Detective Shalbalan was zijn favoriet. Kennen jullie dat? Het is een Bollywoodserie. Over een paranormale detective: Detective Shalbalan.
Ik stelde me voor dat iedereen een bepaalde behoefte had, de behoefte om… waar ik trouwens geen bewijs voor heb, maar zo voelde het: het brood van de bakker werd te snel kleverig, te snel kartonnig om het niet te denken, de kerkklokken werden lomer, de veldjes drassiger, de regen viel lauw uit de lucht, de aalscholvers vlogen trager over en werden dikker, plukten de doorgefokte forellen uit het stinkende, zuurstofloze water, en lieten hen weer vallen als het de inspanning niet waard was, zomaar, flop, op de oprit van de supermarkt, net als we door de automatische deur wiens sensor ons te traag oppikt komen sjokken nadat we te duur en te karig onze boodschappen hebben ingeslagen. Flop! We kijken omhoog, naar de aalscholver die onverschillig overvliegt. We kijken naar de uit elkaar gespatte vis op de stoep. We voelen niks bij zijn dood. We zetten er een ruime stap overheen. Flop! En gaan weer: ondernemen — alsof iedereen eigenlijk liever, als alles wat ons omhoog hield zoals fatsoen en verwachting weg zou vallen, in zou zakken, ons hart zou breken, en we niets anders zouden doen dan liggen, liggen, liggen.
Mijn vader verhuurde heliumballonnen. Hij noemde zichzelf: de ballonbaron. Soms brandde er nog licht ‘s nachts in de garage waar hij honderden ballonnen opblies — voor bij een opening van een of andere golfplatenonderneming op het oude fabrieksterrein waarvan we de oplichtende slogans het moeras op zagen lichten: ‘facilitating solutions’ verlichtte ons moeras, ‘logistic stories’ verlichtte ons moeras — vanuit mijn bed hoorde ik het geloei van de compressor, het geknoesp van zijn droge vingers die het rubber dichtknoopten en geregeld de pang! als hij te hard kneep. Wat hij verder ’s avonds deed weet ik niet, meestal reed hij weg en ik hoorde hem niet meer thuiskomen voordat ik in slaap viel. Ik stelde me hem voor in zijn derdehands bakwagen, rijdend over de opgehoogde provinciale wegen.
Ik had er een hekel aan om thuis te komen. ’t Was een leeg huis, dat door de buurvrouw die ik nooit zag gepoetst werd, en waarvan, als ik thuis kwam, de gordijnen dicht zaten tegen de zon. Geen mensen, geen stemmen, geen geuren, geen licht. Ik zat op de bank en luisterde. Naar het huis dat kraakte, wat klonk als het gerommel van mensen in kamers met dichte deuren, als leven, maar gewoon de geluiden waren die alleen in spookverhalen staartjes krijgen.
Vier vierkante vijvers omsingelden het huis. Duitsers kwamen er vissen. Als je een vis had gevangen, moest je hem laten zien en dan teruggooien, en kreeg je een muntje dat je in de kantine kon verzilveren voor een in een linkse krant gewikkelde ingevroren vis waar ze de organen al uit gesneden hadden. Soms gooiden de Duitsers hun draad over de schutting die de vijvers van onze tuin scheidde. Daar raakten kraaien in verstrikt, die ik dood, aan een tak bungelend, vond.
Mijn vader kwam thuis om zeven, gooide in een pan: één zak voorgesneden groenten, 250 gram gehakt en 500 ml pasata, sliep twintig minuten in de leunstoel voor de tv, draaide het fornuis af, onafhankelijk van hoe gaar of ongaar het eten was, en vertrok weer. Dan mikte ik wat er in de pan zat in de prullenbak en fietste naar het dorp voor een frietje dat ik aan de bar van de cafetaria opat, kijkend naar de oude man in het witte hemd die op de knoppen van de gokautomaat drukte zonder er iets in te hebben gegooid, hopend dat het standaard geknipper van het ding niet het resultaat was van willekeur, maar van zijn behendigheid, dat het iets op zou leveren.
En als mijn vader vroeg of het lekker was geweest, het eten, zei ik: ja.
Ik vroeg hem hoe lang men moet werken. Hij haalde een hand door mijn haar. Hij zei niet wat feitelijk waar was: tot je te moe bent om door te gaan. Hij loog: ‘ik ben bijna klaar.’
De zomer voordat die twee jongens in elkaar vielen, en mijn vader werd gevraagd hen op te halen met de bakwagen, omdat ze niet in een personenauto pasten, groef Reijmer een schietkelder in het deel van onze tuin dat mijn vader de ballonbaron aan hem pachtte. Eén van de vaste bezoekers schoot zich al gauw door het hoofd. Het meisje waar ik verliefd op was, die ik vanuit mijn slaapkamerraam kon zien roken, stond toen achter de bar. (Verliefd… Misschien verlangde ik dat ze me toegang zou geven tot een andere wereld. Min of meer wilde ik haar worden, een gevoel waar weinig andere woorden voor waren dan ‘verliefd zijn’.) Daar leerde ze dat de ambulance niemand nastuurt om schoon te maken. Ze stond er met een emmer en wat sop. Ook zij kreeg een klap van de molen. Maar meer van het soort dat zich niet laat vertellen, waar ik het meest bang voor ben dat mij het overkomt. Soms voel ik het, de aanloop, de gekte die je niet ziet tot hij er onomkeerbaar is. Als buikgriep. Iemand zinkt weg in zichzelf en valt, valt, valt.
Zij, Eddie Sticker, mijn vader, en al die anderen. Laat ons hen herdenken. Waarmee ik maar wil zeggen: er staat iets te gebeuren. We weten nog niet wat. Gebeuren staat het desalniettemin. In deze vreemde, vreemde tijd.
Op het moment dat de twee jongens die in elkaar waren gevallen terug zouden moeten komen van het ziekenhuis was het de vraag geweest wie hen op zou moeten halen, de ouders van de één, of de ouders van de ander, en in die vraag over de autorit van tien minuten van en naar het provinciale ziekenhuis, in de rode Peugeot 205 GTI van de één, of die Opel Astra Stationwagon uit 2000 van de ander, school de vraag aan welke ouders de twee jongens nu toebehoorden en of de ouders nou nog wel hele ouders waren, of meer halve ouders van hun eigen kind of misschien waren ze gewoon vier ouders van dat ene, nieuwe kind? Waren die twee vreemdelingen nu ineens de ouders van hun kind? Waren zij ineens halve ouders van een ander? In het verlengde vroeg iedereen zich af: wat doet de gemeente hier eigenlijk aan? Wie zijn wij eigenlijk van elkaar? En hoe moet ik mij nu gedragen?
Ook op de voetbalvereniging voltrok zich de avond voor de terugkomst van de jongens die in elkaar waren gevallen een vergadering die na de training begon en pas diep in de nacht eindigde, over de vraag of de vier ouders nu één of twee keer contributie moesten betalen, waar weer een diepere vraag onder lag, namelijk of ze de twee jongens nu zouden moeten herdenken met een of andere steen of bloemen bij de deur van de afgetapete kleedkamer waar het voorval was… voorgevallen, omdat iedereen die jongens zeker toch ging missen, want ze hadden zo’n beetje alles gedaan wat wij als prettig achtten, zoals voetballen, meisjes leuk vinden en over het algemeen normaal doen—
Dit ontaarde in een discussie die werd: politiek. Een onbevangen wandelaar had de voorzitter kunnen horen schreeuwen: Hulde! Hulde! Hulde aan diegene die hun Mercedes het gemeentehuis in rijdt!
In ieder geval, het probleem werd gauw teniet gedaan. Toen de vier ouders met hun twee auto’s op de parkeerplaats van het ziekenhuis stonden kwam de verpleegster bleek en hoofdschuddend naar buiten; in geen van hun auto’s zouden de twee jongens passen.
En toen werd mijn vader, de ondernemer, de ballonbaron, gebeld, en als de koene ondernemer die hij is, liet hij alles stante pede uit zijn handen vallen, sprong hij in zijn bakwagen, en liet nietsvermoedend de klep open, waardoor een enkele ballon uit de bak ontsnapte, die ik vlak daarna de elektriciteitsmast zag ontglippen en een gok zag wagen op de vrijheid.
Redactioneel / 10.03.26
Dossier
Val
Beeld & Poëzie / 09.03.26
Dossier
Val
Verhaal / 10.03.26
Dossier
Val
Poëzievideo / 10.03.26
Dossier
Val
Poëzie / 10.03.26
Dossier
Val
Poëzie (& ingesproken) / 10.03.26
Dossier
Val
Verhaal / 10.03.26
Dossier
Val