Poëtisch essay / 09.04.26
meer droom land mijn
Dossier
Warúm Darúm
Poëtisch essay / 09.04.26
meer droom land mijn
meer
Met twee handen probeer ik iets te vangen van het blauwgroen glinsterende water.
Handenvol zeewater maar nooit zo blauwgroengoud.
Duiken en onder water het zonlicht zien breken.
Op de bodem van dit meer kun je kleine steentjes zien liggen.
Zo lang als het lukt de adem inhouden, om in deze amniotische zak van zachtheid en glinstering te blijven, ondergedompeld in het Balkhasj meer.
Wanneer later in het leven ziekte zich aandient, is dit het beeld waarnaar ik terugkeer: zwemmen, duiken en drijven in het koele water van kökshi tengiz: de turquoise zee.
Toch overschrijft dit beeld nooit dat andere beeld, van een ander kind, drijvend in datzelfde water.
Twee was dat kind, toen hij door zijn moeder, vanaf de andere oever, in dit meer werd gegooid, om hem de hongerdood te besparen.
Twee andere kinderen, broers of zussen, dat weet ik niet, had mijn overgrootmoeder al op deze wijze voor een ander, in haar ogen, wredere, dood behoed. Naar dit blauwgroengoude meer kwam ze, met man, kameel, vier kinderen, vanuit het noorden, in de hoop van vis te kunnen overleven. Op het moment dat ze haar jongste zoon in het meer gooide, was de hongersnood al twee jaar aan de gang.
Zijn hele leven is mijn grootvader in dit meer blijven zwemmen, want hij was niet verdronken. De oudste en de jongste zoon van mijn overgrootmoeder overleefden Stalins hongersnood.
Mijn overgrootouders vluchtten vanuit het noorden naar het meer zonder te weten dat juist die plek het zwaartepunt van de hongersnood zou worden, waar tot op de dag van vandaag wordt gezocht naar lichamen, naar een massagraf van 50.000 mensen.
Hoe kan ik van het meer houden dat mijn grootvader haast verzwolg? Of hielp het hem, leidde het hem terug naar de kust door de stroming te keren?
Mijn grootvader hield van het meer, zelfs na er haast in verdronken te zijn en ook na alle jaren waarin hij, ongeacht het weer, het water in moest om te vissen. Voor dit meer schreef hij een lied.
droom
De nacht voordat de zus van mijn grootvader verdronk in het Balkhasj meer, voorzag ik het. Na een nacht en dag wachten, belde een van mijn tantes me met het nieuws. Ik zei haar dat ik het al wist en ik vertelde haar over mijn visioen.
Maak je geen zorgen, zei ze, het zit in de familie.
Nog een beeld had ik nu: van het lange, rode haar van mijn oudtante, drijvend in het blauwgroengoude water van het meer waaraan ze was opgegroeid, met haar twee oudere broers, die hun dagen vissend doorbrachten, en waar twee andere broers of zussen voor haar waren omgekomen, hun lichamen vergaan tot wier, hun ogen parels.
In 2013 loop ik langs de markering van de Berlijnse Muur. Ik heb geen vast adres neer. Het schemert. Dan verschijnt mijn net overleden grootvader in mijn gedachten. Hij stond erop dat ik de taal moest leren, de geschiedenis moest kennen.
De volgende dag belt mijn moeder om te zeggen dat ze had gedroomd dat mijn grootvader met mij meeliep in Berlijn.
Hardop spreek ik mijn Kazachse naam uit, want ook dat is mijn naam, ook al werd ik alleen door hem zo genoemd.
In 1931, in Samara, een stad aan de oever van de Wolga, krijgt een filoloog een voorgevoel, een droom wellicht, en hij schrijft een brief aan zijn familie, in het glooiende gebied van steppe en rivieren, vlak onder Siberië. Hij maant ze zich gereed te maken voor vertrek, en om vrienden en buren daar ook toe aan te zetten. Hij neemt een reis van duizenden kilometers naar het zuiden, naar de hoofdstad Alma-Ata, om de uitreispapieren in orde te brengen. Dat is niet eenvoudig, en degene die hem uiteindelijk een stempel van goedkeuring verleent, zal een aantal jaar later in de Grote Terreur worden geëxecuteerd. Hij is toegewijd aan zijn voorgevoel, en onderneemt opnieuw een dagenlange reis, terug naar huis, waar de rivier Espe door de dalen stroomt. Niet iedereen is overtuigd door deze magere filoloog, een gouden brilmontuur met ronde glazen, zijn neiging in aforismen te spreken. Hij houdt voet bij stuk; met slechts lichte bepakking laten tientallen mensen alles achter, hun thuis nog geen massagraf, nog geen radioactief reservoir.
land
Het land is al jaren onafhankelijk. Een gezelschap rijdt in twee, drie auto’s door de steppe, onderweg naar het vakantiehuis aan het meer. Een van de chauffeurs van het gezelschap heeft al uren het landschap afgespeurd naar accenten in de geelgroene vlakte. Het is zomer, maar wolken werpen genadevol schaduwen over de glooiingen.
De mensheid is in verval geraakt, zegt de bestuurder, vanaf het moment dat zij huizen van baksteen begon te bouwen. Het gezelschap zwijgt want het weet dat er nu een overpeinzing komt.
Mensen, zegt de man, zijn niet gemaakt om te werken in kantoren, maar om hier, hij bedoelt hier buiten, op de steppe, te leven. Op een steen zitten met een stengel riet in je mond, nadenken, iets maken. Niets permanents.
Af en toe klinkt er op de radio een lied vol ruis, met russische woorden.
Tegen de dagelijkse omgeving steekt hij af als een mismatched puzzelstukje van een geheel ander tableaux.
Hij werd geboren in de stad, maar spreekt in nabije termen over de dagen dat de bevolking nog nomadisch was. Als een visioen dat het lichaam rust zal schenken, ook al is de droom van dit leven vol tegenstrijdigheden en onmogelijkheden.
De blauwe hemelkoepel, daaronder de steppe: dit was het goddelijke paradijs, als een tweede baarmoeder. Architectuur mag niet permanent zijn, dan zou het de beschermende vruchtzak beschadigen. En dus is er daar die verbluffende architectuur van het vilten huis, dat beschut zonder de aarde te smoren. De vilten tent is licht en meeneembaar, voor de seizoensmigratie om het vee de steppe te laten begrazen.
Deze migratie verliep langs immense afstanden, maar langs nauwkeurig, volgens de hemellichamen, berekende routes. Een systeem dat eeuwenlang is geperfectioneerd en afgestemd op de fragiele ecologie van de steppe, waar droogte dikwijls op de loer ligt.
Tussen de jaren 1931 en 1933 werd aan die leefwijze na eeuwen een einde gemaakt, door middel van een geplande hongersnood. Bijna al het vee werd omgebracht en de steppe bleef onbegrazen.
Bijna de helft van de mensen overleefde het niet. Anderhalf miljoen waren er dat, in twee jaar tijd, waaronder de middelste kinderen van mijn overgrootmoeder.
Zij die overleefden, overleefden door duizenden kilometers te vluchten, zoals de filoloog en zijn familie, maar dat is weer een ander verhaal.
Mijn
Chromium, kool, mangaan
koper goud
uranium
zilver en lood
ijzer en zink
olie en gas
en een huid die niet doorboord mag raken
Poëtisch essay / 09.04.26
Dossier
Warúm Darúm
Poëzie / 01.04.26
Dossier
Warúm Darúm
Essay / 19.10.25
Dossier
Warúm Darúm
Poëzie (& ingesproken) / 11.10.25
Dossier
Warúm Darúm
Poëzie (& ingesproken) / 03.10.25
Dossier
Warúm Darúm
Poëzie (& ingesproken) / 28.09.25
Dossier
Warúm Darúm
Poëzie / 26.09.25
Dossier
Warúm Darúm