Verhaal / 13.08.26
Gesloten vuist, handpalm
Dossier
&2026
Verhaal / 13.08.26
Gesloten vuist, handpalm
Voorpublicatie uit Berg, spiegelscherf
De feiten van haar leven heeft Lejla met zich meegenomen, toen ze vertrok, maar niet zonder een handvol daarvan achter te laten voor de mensen die haar hebben gezien, die haar hebben gezien en onthouden.
Wat hebben ze onthouden? Dat haar verjaardag op 2 juli was, wat haar sterrenbeeld tot Kreeft maakt: gevoelige, zorgzame zielen, zo zeggen ze.
Voor het eerst in de geschiedenis was de grond te koop, maar niet voor Lejla en niet voor haar vader, of oom, of grootvader – wie zal het zeggen wie die man was? Bijvoorbeeld Omar, hij die gezegend is met een lang leven, Omar, met de witte baard. De witte baard van de man – goed, haar grootvader, zo oud dat hij de massadeportatie door de eerdere incarnatie van het rijk met het Janusgezicht – toen de Sovjets – van de Tsjetsjeense bevolking naar de Kazachse steppen moet hebben meegemaakt.
Het is niet zeker of Omar voor Lejla zorgde, want andere nagelaten feiten zijn het eeuwige heen en weerlopen van Lejla met een emmer, met water, te zwaar voor zo’n kind. Maar Lejla zei dat ze sterk was, net als haar broers. Zou ze hebben gezegd dat haar broers als bergen waren? Kwam ze uit de bergen of uit de stad, de stad aan de oever van de rivier? In de geschiedenis is opgenomen dat drie krappe jaren, slechts een wassende maan te kort, de oorlog van Goliath tegen de voor een onafhankelijkheid strijdende David begon. Aan het einde van het jaar 1994, maar misschien begon het al meer dan een eeuw daarvoor of een eeuw daarvoor. Maar dat zei Lejla niet, zij sprak slechts over haar achtergebleven broers en moeder, die nog zouden komen. Of misschien niet dat zij zouden komen, maar dat zij toch zeker terug zou gaan.
Als de oorlog is afgelopen.
Lejla was erg sterk, net als haar held Bruce Lee, van wie ze in een klein trommeltje plaatjes bewaarde. Misschien was dat alles wat ze overhad van haar oudere broers. Ze kon enkele van Bruce Lee’s gevechtshoudingen perfect nadoen. Ze had felle, lichte ogen, maar dat is een constatering die ook een ingevulde herinnering kan zijn. Ze had lang haar, dat is zeker zo, want alle meisjes hadden lang haar, in die tijd. En op een dag had ze het afgeschoren en leek ze, tot ontsteltenis van iedereen, net een jongen.
Welk meisje zou vrijwillig haar haar afscheren? Zoals die westerse zangeres die hun beeldbuizen vulde met een droefenis zo zacht dat die nauwelijks ook maar een deukje mocht maken in de pantsers waarin hun voorouders hen gehesen hadden?
Oibai, riepen de mensen, over Lejla’s kale hoofd, oibai, wat heeft het kind gedaan, de duivel zal haar op haar kale kop spugen. Daarover lachte ze: een feit? Bij het vilten huis, waarin de oorlogsvluchtelingen woonden, hadden ze een houten paal in de grond geslagen, met daaraan een spiegelscherf en een omgekeerde jerrycan. En het is in die spiegel dat de kale Lejla haar broers moet hebben teruggezien, als een kleine tovenares die een nieuw ritueel had uitgevonden.
Hier loopt de geschiedenis bijna ten einde, een mens wordt er tenslotte moe van en wil dan eens lekker in een veld liggen en kauwend op een stengel gras de wolken in hun formidabele formaties voorbij zien drijven – kijk, net een hond. Kijk, net een taart – totdat een zwaluw er een lijn doorheen trekt.
Op een warme dag naderde Lejla het hek van het grote huis. Door een van de kinderen van het grote huis werd ze begroet, waarna de andere kinderen zeiden: wij spreken niet met haar. Waarom? Omdat ze kaal was, ongewassen, een vluchteling? Omdat zelfs kinderen ervan doordrongen waren dat je met de geschiedenis niet besmet moest raken?
Nog iets wat is nagelaten en onthouden: Lejla droeg nooit schoenen, maar met stof bedekte plastic slippers. Zij die getuigden: leven met de feiten, maar de feiten zijn vergeten. Maar wat als daar desondanks iets kostbaars was, de moeite waard om te behouden? Dat het eeuwige blauwe gewelf, als onder een glazen koepel, iets heeft weten te bewaren van wat er zich op de grond afspeelde? Dat de herinnering als een schuddebol miniaturen heeft gemaakt van wat door de geschiedenis haast vertrapt was, en vervolgens vergeten, maar waar, als anderen ervan te horen zouden krijgen, zij beslist zouden zeggen: kijk, dat was er, nu weten wij het ook!
Op de vierde dag nadat de verwarming voor het hele blok was uitgevallen, zette Sara de vlam van het op butagas aangesloten gaskookstel toch iets hoger, even maar, dacht ze. Ze deed haar handschoenen met de afgeknipte vingertoppen uit en hield beide handen bij de vlammen en de warmte vervoerde haar naar een zomer van lang geleden.
Fruit dat lekte en plakte. Zware wolken en een regenbui die sissend neerkwam op de verhitte aarde. De koelte van de lemen voorraadkelder. De frisheid van de stukjes zure, harde kaas die in een schaaltje op tafel lagen en die de vorm hadden van de holte van haar moeders handen waarmee het gekneed was. Ze toverde fragmenten van het huis waarin ze was opgegroeid tevoorschijn. Het gemak en de precisie waarmee ze dat kon, deden haar plezier. De lichte weerstand van de bakelieten schakelaar onder haar vingers, die ze maar aan-uit-aan-uit bleef knippen toen er voor het eerst elektriciteit werd aangelegd. Het gat in de houten drempel waar haar wijsvinger in paste. Het laken met de vaalrode bloemetjes en de stugge bolletjes waar ze ’s nachts haar voeten overheen liet gaan en die ze er bij daglicht probeerde af te plukken. De logge brommende koelkast, de enige in het hele dorp, met daarop de gestileerde letters moskwa, de zurige geur die over hun kinderhoofden kwam als ze met z’n allen keken wat er nog aan lekkers te halen viel.
Haar man zei vaak dat ze niet naar het verleden moest terugkeren, maar het kon volgens haar geen kwaad, zeker niet als niemand haar zag, keerde ze terug naar waar ze maar wilde, ook al probeerde ze zich ervan te doordringen dat hij gelijk had: alleen het dagelijkse deed ertoe, niet de verre toekomst of het verkleurde verleden. Maar werd niet ieder mens, al was het maar soms, overvallen door de beelden van waar ze is geweest? Voor Sara was het verleden niet iets wat achter haar lag, maar het waren beelden verbonden aan een spiraal waarvan geen mens het begin of einde zou kunnen kennen… waarschijnlijk was er geen begin, geen einde. De spiraal was een ovaal waaraan haar bewustzijn vastzat, en al naargelang waar in het seizoen ze zich bevond, tipte het ovaal omhoog of juist omlaag.
Maart, waar ze – de wereld – nu waren, was een maand met de grijsgeelgroene kleur van korstmos. Weldra lag april in het verschiet: een oranjerode maand aan de spitse kant van het ovaal. Daartegenover, als ze zich omdraaide, zag ze de andere kant hellen, roestbruin oktober, bleekgroen november. Als ze haar ogen sloot, kon ze moeiteloos langs het ovaal bewegen en was maart nooit zomaar maart, maar een plek waar alle beelden die ze eerder op die plek had gezien nog tot haar beschikking stonden.
Die ochtend had ze de keuken methodisch opgeruimd en daarna voor zichzelf theegezet. Kou besprong dat wat stilviel. Ze stond op om een stukje gedroogde kaas uit de voorraadkast te pakken, niet die van haar moeder, maar gewoon die van de markt. Ze had melk in haar thee gedaan, en frambozenjam, en het langzaam opgedronken, met twee handen om het kleine warme kommetje geklemd zodat het leek alsof haar handen het kommetje vormden.
Ze hield ervan de dingen vast te pakken. Vooral omdat ze de laatste tijd, maar ze wist niet of dat maanden of misschien, nu dat ze het van zichzelf had opgemerkt, toch al wel jaren waren, steeds vaker verdween in een gevoel door niets te worden aangeraakt, alsof haar vingers van lucht waren en materiaal haar negeerde.
Na een tweede en derde kopje waren haar handen nog koud en deed ze haar handschoenen aan, en toch weer uit, om ze bij de vlammetjes te houden. Toen haar handen warm genoeg waren, schoof ze het theekopje opzij, veegde het tafelzeil nog eens schoon en pakte haar werk – zo noemde ze het, ook al was het geen werk, maar een bezigheid, een waarvan ze bovendien niemand op de hoogte wilde stellen. In een schrift dat ze geheimhield tussen haar kasboekjes, tekende ze haar ornamenten. Het waren variaties op klassieke ornamenten, de zwaluw, de bloem, ramskrullen, symbolen voor aarde en lucht die op betonnen gebouwen stonden zoals ze ooit op hun vilten huizen hadden gestaan.
Soms schreef ze er gedichten in, losse gedachten die ze later eens hoopte uit te werken, maar die desondanks iets methodisch hadden, en waarvan ze misschien meer nog dan ze uit te werken, de hoop koesterde er op een dag, wanneer de schriften talrijker dan de kasboekjes waren, er een architectuur in te ontdekken, een misschien wel verbluffende architectuur.
Tijdens haar enige reis naar het buitenland, naar Dresden, een tocht die vele formulieren, treinen en bussen had behelsd, en die ze had kunnen ondernemen in het kielzog van een welwillende docent met partijconnecties, had ze iets gezien wat haar had betoverd, iets wonderbaarlijks. Een kunstwerk, waarvan de houder uitbundiger was versierd dan het werk zelf: een kersenpit. Een onbeduidende kersenpit, achteloos uitgespuugd door een van de familieleden van de kunstenaar, die hem misschien dikwijls van zijn werk hielden, maar die kunstenaar had in die pit plots een wereld gezien, en in de kersenpit wel meer dan honderd gezichten gegraveerd.
Wat een wonder had ze dat gevonden; en vanaf toen bij zich gedragen dat dit mogelijk was, het dagelijkse, het afval, te transformeren tot zoiets bijzonders. Ze verlangde ernaar nog eens een afbeelding te zien van dat wonderlijke bolletje, maar ze had niet eens een foto, en Europa, waar die schatten ergens uitgestald lagen, was voor haar irreëel. En wat moet ik met Europa? prevelde ze, alsof ze iemand antwoordde.
Maar het had haar iets doen inzien: dat iets op elk moment zowel oppervlakte als diepte kon zijn. Dat dat bolletje geen moment ophield een kersenpit te zijn, en toch was daar een wereld met honderden mensen, spoken en engelen van de kunstenaar. En teruggekomen in haar witgrijsgroene stad met haar sierlijke bergen had ze gezien hoe hun eigen historische ornamenten pure vorm waren, pure vorm die bijna, welhaast volmaakt was in het openbaren van kennis… of in het weerhouden van kennis… Van hen allen die in deze streek de zon op en onder hadden zien gaan. Blauwe hemelkoepel, rode aarde, de vier windstreken. Als je lang genoeg rond je as draait, wordt een cirkel een ellips.
Sara kneep haar ene hand tot vuist en weer open, om hem soepel en warm te houden. De gedroogde kaas paste er precies in, alsof ze de kaas zelf had gekneed, de vorm van de kaas was door het maakproces bepaald, daarin zat, voor Sara, schoonheid. Ze tekende de vorm na, een leegte die geen leegte was. Ze voelde een concentratie indalen zoals ze die lang niet had gekend en tekende die vorm, leegte na leegte, met de gekartelde rand van de gedroogde kaas, nadat die uit een samengeknepen vuist tevoorschijn was gekomen. Ze schreef erbij: leegte die omvat. Ze snapte nog niet helemaal wat er uit haar handen kwam, maar ze omarmde het proces als een geschenk.
In gedachten bladerde ze door de boeken in de bibliotheek van haar instituut, met daarin gedetailleerde beschrijvingen van ornamenten en hun betekenis. Ze probeerde zichzelf in de zaal van het nationaal museum te plaatsen, zich de gouden versieringen van de Scythen voor de geest te halen. Ze probeerde uit het hoofd de gevleugelde zon van de Zoroasters na te tekenen. Ze tekende ook de figuur met het zonnehoofd. De zon die op een dag misschien niet meer op zou komen en daardoor vastgelegd moest worden als meest heilige symbool.
De zonnegod op de rotsen die vanuit de stad minder dan een dag rijden waren – had ze daar maar schetsen van gemaakt. Een droefenis overviel haar toen ze niet meer kon bedenken wanneer ze voor het laatst de stad verlaten had, ze kon zich niet eens de precieze overgang van stad naar steppe voor de geest halen, maar het moest zijn zoals er in de lente een dag aanbrak waarop je simpelweg je winterjas kon opbergen.
Sara tekende door, variaties op licht en lucht in de vuist van een mens, grillige vormen zonder symmetrie. Ze noteerde dat ze een ornament voor onze tijd wilde maken, als een houvast waarin zich een toekomst zou ontvouwen.
Wat voor toekomst? Het kon niet voor eeuwig zo’n bardak blijven, chaos zonder einde. Chaos was simpelweg energie waaruit het nieuwe zou ontstaan. Maar de chaos hield nu al wel lang aan en was soms zo duister dat het moeilijk voor te stellen was dat er een dag zonder hoofdbreken zou komen, een vertrouwen in de gang van zaken zodra je je buiten de deur begaf.
Buiten hoorde ze kinderen roepen, onder wie die van haarzelf. Ze wilde meer schrijven, maar de schittering van haar concentratie viel uiteen en werd dof. Ze dacht dat ze misschien geroepen werd en ze liet haar tekeningen, en de vlam achter.
Verhaal / 13.08.26
Dossier
&2026
Poëzie (& ingesproken) / 11.06.26
Dossier
&2026
Poëzie (& ingesproken) / 01.06.26
Dossier
&2026
Essay / 23.05.26
Dossier
&2026
Geluid & Poëzie / 02.05.26
Dossier
&2026
Essay / 04.03.26
Dossier
&2026
Poëzievideo / 03.03.26
Dossier
&2026
Poëzie (& ingesproken) / 22.01.26
Dossier
&2026
Poëzie / 19.01.26
Dossier
&2026
Poëzie / 17.01.26
Dossier
&2026