Not Only Fans

Verhaal / 27.10.26

Paddentrek

Lander Govaerts

…dan maar met een zonnebril op door een achtergelaten stationskrantje bladeren, verstrikt in flarden herinneringen die zich aan me opdringen: het razen van de vloedlijn, mijn vrolijke bezwering – gisteren, toen er nog dromen waren, ik nog dronken was, de wereld scherp zag, niet stopte, steeds harder doordronk, en nu, met sinussen die bijten en gonzen, in een trein vol Spanjaarden – toeristen op weg naar Brugge – met in het krantje een paginagrote oproep voor het aanmelden van vrijwilligers ter bescherming van de padden die spoedig zullen ontwaken uit hun winterslaap, zich in de wereld zullen storten, slechts één doel kennen: het lozen van hun zaad in de ontdooiende modderpoelen aan de overkant van de snelweg, met de vraag of er geen basisscholen zijn die dit project mee willen ondersteunen, dat er over generaties heen kan worden samengewerkt, grootouders en kleinkinderen, zij aan zij, samen hekken plaatsen op door wetenschappers uitgezette lijnen, ook nog wat emmers ingraven, de kikvorsen opvangen, verhinderen dat ze worden overreden in hun manische opmars – dat hun giftige zaad hen doodt – want dat is het: die padden denken niet van ‘oh, ik wacht even tot dat op mij afstormende gevaarte gepasseerd is,’ zij denken enkel: ik moet iets bevruchten of ik ga dood, en dat blijkt niet eens zo’n foute gedachte, een wegdek bezaaid met opengereten driften, zo ontspruit hun wil, groots en onvermoeibaar, en daarom dit initiatief dus, in het gratis stationskrantje, een speuren naar vrijwilligers die deze bevrijding van het verlangen helpen stroomlijnen, niet minder dan het overleven van de soort veiligstellen, maar toch, kinderen bij zoiets betrekken, afschrikwekkend, de persoon die met zulke plannen komt aanzetten, er nog applaus voor krijgt, kelen die zich schor schreeuwen uit dankbaarheid, onvermoeibaar is hun aanmoediging, de subsidiedrang om dit te bekostigen, en helder licht snijdt door het wolkendek, verdubbelt in kracht, blijft maar schijnen, zo ongestoord, net als die padden, zo vrij van beslommeringen, eenduidig is hun doel, hun vergiftigde dromen … ‘Dames en heren, we komen aan in station Brugge.’ … eindelijk, die Spanjaarden de trein af, ik ken hun geschiedenis: kolonisten à royalisten à falangisten à toeristen, zij denken enkel: nog even en dan in Brujas, bijna fotootje trekken van de geplaveide steegjes, kanaaltjes, kraampjes, een zwanenpaar, nog snel die kantklosinitiatie, klotegaren, een selfie, leve de liefde, het Heilige bloed, chocolate, Madonna met kind, natte smak, nog wat zwanen – een mannetje verdrinkt zijn vrouwtje – schoenenzolen vol paardenmest, een ontspannen zucht. Eindelijk in Brugge. Voor ze kunnen uitstappen sla ik hun schedels in met de vouwfiets van mijn overbuurvrouw, moet enkele malen doormeppen voordat ze eindelijk stil zijn, ook mijn hak gebruiken, dan de trapper uitklappen, klaarzetten, doorduwen: het afmaken. Een schedel is veerkrachtig; ik ben veerkrachtig. Och al die toeristen die dag na dag in Brujas moeten zijn, kwalijk, hun drang tot treinreizen, hun heersende toon, ongestoord bestaat de mens – niet iedereen, maar toch, deze toeristen, aandoenlijk simplistisch, die lui… ‘Mesdames et messieurs, nous arrivons à la gare de Bruges.’ … hoe durft hij, de Belgische taalwetten verbieden het gebruik van het Frans door treinbegeleiders op Vlaams grondgebied, dat hij dat niet weet … zo iemand zijn, anderen ongevraagd lastigvallen met zijn eigen ambities, de wet ervoor overtreden, ik herhaal: ik zal doden, elk mens dat weigert inzichtelijk te zijn, ik ben consequ… ‘Meine Damen und Herren, wir kommen am Bahnhof Brügge an.’ … zo vermoeiend maar ook wel keurig, de drie landstalen, en wat een uitspraak. Feilloos. Godzijdank – bijna in het sta… ‘Ladies and gentlemen, we are arriving at Bruges station’ … op die manier een Brits accent imiteren, het nu wel zeker weten: een homoseksueel deze treinbegeleider, elkaar zo herkennen, de gedeelde ijver op de schoolbanken tijdens de Engelse les, het onafgebroken dagdromen over Heathcliff, ik hoor het in het timbre van zijn stem, en hij blijft maar hopen op het kloppen van Heathcliffs penisaders in zijn door aambeien geteisterd hol – een gouden toekomst zit vervat in zijn accent, ik hoor het in zijn stem, de ongebroken hoop, het gemijmer om zijn Heathcliff, leunend tegen de schouwwand van hun manor, waar kandelaars branden, mutton stew en beef stew en meat pies en Yorkshire pudding naast elkaar rusten op uit koper geslagen schotels, waar Heathcliffs vingers dag in dag uit hapjes orgaanvlees over zijn lippen smeren, hij het aan hem onttrokken zaad met zijn vette tong diep in zijn keel stuwt en als toetje het bloed van zijn aambei mengt met het wit van hun zaad tot het beige wordt als overgare stew, alles beige, alles op zijn lippen, how splendid, en hij maar slikken, en Heathcliff blijft maar zeggen hoe mooi hij is, dat hij niet meer alleen zal zijn, nu niet, nooit nog, en de treinbegeleider dommelt al weer weg in zijn armen en droomt over tederheid en onstuimig kaarslicht en als hij ontwaakt is Heathcliff verdwenen, en de treinbegeleider kan er niet eens een traan om laten want hij wist dat dit ging gebeuren, dat hij niet goed genoeg was, niet muscular genoeg, zijn Brits accent niet foutloos genoeg, en na weer een nederlaag kan hij niet anders dan denken dat hij iets gemist heeft in dit leven: een handleiding, iets dat richting geeft aan de nacht, de hartslag van een geliefde als metronoom, een verbondenheid die van hem is afgenomen sinds de navelstreng met zijn moeder werd doorgesneden, het besef dus toch als zijn aambei te zijn – gehavend en verzwegen, dat hij enkel zijn aars heeft als een potentiële poort naar de hartslag van een ander, maar niemand zal hem beminnen, niemand wil zijn kolkend aarsbloed op het velletje wc-pa…; met een schokgolf hamert een nieuwe opstoot van misselijkheid zich door mijn maag naar boven, snel naar het toilet lopen, voortmaken, het aangaan. Gebukt duw ik de deur open, strontgeur. Vers. Niet verder nadenken, ik kniel neer. De voorbijrazende wereld openbaart zich door de bodem van de toiletpot, streepjes speculaasbruine poep, wielen kletteren over het staal. Ik braak, laat dan toch een spoor na. Snel mijn mond vegen, geen toiletpapier vinden, dan maar doorspoelen, handen wassen, ergens opluchting, mijn maag leeg, maar in mijn hoofd: een onuitstaanbaar gerinkel, mogelijk het begin van migraine indien ik niet oplet, toch nog één optie hebben: in de klas hoorde ik Zoë er steeds over praten, dat haar oudere broer een opleiding fotografie deed (aansteller) en dat de docent hen had meegenomen naar het museum voor schone kunsten waar iedereen een werk moest uitkiezen, en niet alleen dat: ook het gekozen schilderij moest memoriseren, ermee versmelten, een landschap vormen, hun liefde tonen als tocht, als beproeving, als zwanendans, als de kinderhand die een pad uit een emmertje haalt, en dat ze zich met dat schilderij in gedachten dienden terug te trekken in de museumtoiletten, en dat zeer letterlijk moesten nemen en zich op de Oude Meesters moesten betasten, masturberen zelfs… Sindsdien niet meer naar een museum gegaan, maar toch, ook voor andere zaken is het nuttig, masturbatie: dat het voor het verlichten van een kater de meest effectieve remedie zou zijn, ja, dat zei hij ook, nooit geprobeerd in zo’n context, toen was het niet nodig, maar nu, oh zo ondraaglijk, het suizen, het onophoudelijke razen, maar niets te verliezen hebben, dus me neerzetten, even de klink neerwaarts voeren, kijken of de deur gesloten is. Ja, dat is goed. Mijn broek beheerst laten zakken, mezelf op het warme plastic zetten, dan maar beginnen, rustig, mezelf strelen maar nog niet hard worden, nog steeds die stront ruiken, braaksel, maar doorzetten, mijn gsm nemen: porno als laatste redmiddel. Dit normaal niet doen, maar straks koffie en eclairs, familiegepraat, glimlachen, lief en sterk zijn, de eerste de beste website openen, monsterlul, trio, heteroman, Tsjechisch, schreeuwen, zaadcompilaties, bear, bezorger, Sri Lankaans, opa, auditie, herendispuut, betrapt, gespierd, knap, skinny big dick, Grieks, vreemdgaan, auto, sportschool, bodybuilder, AI-generated, niet kunnen kiezen, al die categorieën, keuzedwang, gewoon klikken, een tong zien, de strakke borstkas, spieren die me kunnen dragen, hard worden, nog een beetje verder; ik zet de gsm op het wastafeltje, maak dat ik mijn handen vrij heb, en de trein wisselt van spoor, wiegt alles door elkaar; ik zie mijn gsm onderuitglijden, vallen, en grijp ernaar met alles wat ik in me heb. Ja! In mijn handen. Ik overwin, ik heers. Ik onderdruk alles wat onderdrukt kan worden. Ik draai de gsm naar me toe en zie plots mezelf zitten, ontkleed, doorbloede ogen, opgezwollen kaken, een uitgezakte buik, vingers omklemmen een penis, en zie dan ‘Papa bellen’ op het scherm staan – FaceTime per ongeluk geopend hebben – een verandering in het beeld waarnemen, razendsnel de oproep onderbreken, maar toch in enkele bevroren pixels zijn gezicht ontwaren, zijn grijsgroene ogen, zijn dunne lippen, zijn ouder wordende wangen, zijn zachte uitzettende wallen als jaarring over jaarring, zijn mij altijd moed insprekende stem, zijn mopjes voor het slapengaan, zijn kietelende handen als ochtendmonsters tussen de lakenplooien – hun schreeuwen en geeuwen, de handen die oma’s uitgedroogde voorhoofd streelden net voor ze stierf, zijn stem die zei dat ze veilig was, dat hij bij haar was, dat ze niet alleen zou zijn, en ik voel zijn hartslag nog tegen mijn oorschelp als kind – hoe het me vertraagde, rust inlepelde, hoe ik me op zijn borst neerlegde na uitputtende dagen waarop ik niet naar buiten durfde, enkel daar niet bang was van de enge brullende wereld met haar overdonderende stemmen, de onrust bedwingend door zijn hart dat klopt, de liefde die stroomt, en ik zie mezelf weer liggen, met gesloten ogen, de seconden tellend tussen elke hartenklop, spreuken prevelend dat het nooit zal stoppen met slaan, en ik voel de warmte door zijn shirt tegen mijn wang en zijn handen kneden mijn achterhoofd, en ik ben kalm, ik ken rust, ik ben de pad, ik ben het emmertje, maar weer die stront ruiken, snel, dit klasseren, doorgaan, harder sleuren, de pijn kleinkrijgen, niet meer aan papa denken, dit ongemak, moet afmaken waaraan ik begonnen ben, doorzetten, dan maar terugvallen op methodes die hun dienst bewezen hebben, denk aan de jongen in het zwembad, zijn Adidas-slip, de wiegende billen, de wimpers, het snorretje, de alles verterende vlammen, en de telefoon gaat weer over, papa, niet opnemen, doen alsof ik van niets weet, doorzetten, volhouden, herhaal: billen, wimpers, snorretje, de fonkel in zijn ogen, zijn natte lippen, het gehijg in mijn oren, zijn brommende roep, het briesend licht, de onuitwisbare zee, zijn tanden in mijn borst, zijn pink in mij.

Lander Govaerts is schrijver en redactielid bij Deus Ex Machina. Hiernaast maakt hij deel uit van De Letteristen in Oostende en is hij winnaar van Elk Verhaal Begint van Literatuur Vlaanderen. Lander is voormalig universitair onderzoeker naar de rol van politietechnologie in de (re)productie van de kapitalistische sociale orde. Korte verhalen, essays en poëzie zijn eerder gepubliceerd in o.a. nY, Flemish Review de la Poëzie, Deus Ex Machina, Papieren Helden, Sintel, Kluger Hans en binnenkort in DW B. Hij stond op de shortlist van de Editio Debutantenprijs 2025 en schreef en werkte mee aan de theatervoorstellingen Wild Narcissus (Bavo Buys) en Sonder (BERLIN/NTGent). Lander woont en werkt in Brussel. 

Meer van deze auteur