Blauwen

Verhaal / 05.11.26

blauw blauw blauw (duidelijk dat het hier over lucht gaat)

Noa Elisabeth de Leeuw

Blauwe lucht die de lakens verlichtte en mijn kinderkop wekte. De ochtend verliep: koffiekoeken, twee mandarijnen, de bel (mama staat aan de deur), slaapzak, rugzak, auto – staarde als een protagonist uit het autoraam. (ik) Vat dit even samen: vat en plaats – plaats ze in de plooien van mijn rokje als nevelige dromen, verdroeg de verfrommeling; liet ze in de toekomende jaren gedragen worden. Vergat ze bijna in te vlechten, nevelige dromen, zo ingesnoezeld in mijn haar: fluweel, pluche, weefsel, chiffon, meisjesachtig. 

Blauwe lucht, ik tuur vanuit mijn bed naar de wolken. Mijn geliefde slaapt, ziet er kinds uit met zijn getuite lippen, zacht, donzig, fragiel.  Brabbelt iets van: “maarneehadtsqmijtochgfgewoondieslizzzz”.

Beeld dit even in: gevouwen ledematen; zij/haar/ik (?) vouw elk van mijn vingers met zijn vingers. Vlechten plooien, tikkeltje origami. Ik staar naar mijn hand, zijn hand dus onze handen, vergeet even kort welk lichaam in dit bed het mijne is, voel een kleine korte glimlach (uiting van plezier?), richt mijn ogen naar het venster, blauw blauw blauw (duidelijk dat dit over lucht gaat). Mijn gedachten verplaatsten zich naar koffiekoeken, twee mandarijnen, de bel – RriiInnKt.

Herinner me de tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst, voor mij het verleden. Luisterde naar de ademhaling van het meisje dat naast me sliep. Haar, zij, ik, ons. Voetstappen op de trap laten weten dat haar vader op komst is. Hij kende onze huid. Het is tien na twaalf of een ander uur voorbij onze aanvaarde slaaptijd. Beiden wakker met gesloten ogen. De verleiding die een kinderlichaam kan bieden. Zij trilde, verdwaalde in gedachten naar beelden van dode herten die van angst zichzelf de dood in trillen. Zijn schaduw staat aan de rand van het bed, het licht vanuit de gang, kruipend jagertje, kruipt naar ons toe. Wie zal hij kiezen – welke huid? Het lichaam van onschuld naar de kamer, de ruimte van ziekte. Ik ben een mandarijn die hij tast, pelt mij los, hoopt er de vochtigheid te vinden. 

Tril mijn lichaam de dag in. (De nadruk) Zij/haar/ik die de man tegemoet komt. Plaats de herinnering in mijn agenda. Te doen: herinneren. Denk even logisch na: er zijn vier hoofdwindrichtingen: noord, oost, zuid, west. Water hydrateert het lichaam. Om een spiegelei te bakken, plaats je eerst de boter zodat het ei niet aanbakt. Om in slaap te vallen sluit je beide oogleden. Mijn realiteit is ongeremd. Verstrooi de waanzin over mijn hoofdhuid, keer de haarzakken tot ontaarding, vermelk mij in de borst van mijn moeder – laat mijn vlees bederven, beveel de insecten over mijn tranen. Overname van het tastende lichaam. Bewaar mij in het water. Verlicht mijn ziel in de verdenking. Ik (gestoorde) ben ontstaan uit de vermenging van pedofilie, seksverslaving, agressie, doordraaiing. Ik, gestoorde, ben ontstaan uit onschuld. Veeg geen traan weg. Tril zij/haar/ik de realiteit in, veeg één traan weg.

Zijn zweet eist mij/haar/ik te ruiken, wekt mij uit haar/mijn gedachtendoorloop. Hij hij hij ligt naast mij mij mij, tenen verwikkeld, de tenen, elkaars tien tenen, onze twintig tenen in aanraking. Klauw naar de werkelijkheid door het omhulsel rond mijn organen te onderzoeken: de huid, de zon warmt mijn billen op. Venster, raam, blauw blauw blauw (herhaling). 

Ik kijk naar zijn fréle kinderkopje (kijk niet naar het raam, weet dat de lucht blauw is, dat de zon schijnt (voel het, ja ja zo voelt het aan mijn billen)). Hij slaapt, ik tracht hem in de droom te bereiken: fluweel, meisjesachtig door het slaapzand in zijn ooghoeken te kruipen. Bevind me in een zandvlakte. Graai met mijn handen in het zand – enkele moedervlekken komen tevoorschijn, staren me aan. Vraag ze om me te vergezellen op een terrasje – even neer te zitten. Kijk langs mijn rechterschouder, in grote letters: LA GRANDE SOIF. Trakteer de onverwachte droomwandelaars op een koffie en ze blijven herhalen: “ Wij zijn de moedervlekken van je geliefde, van je vrijer”. Hoor in de troebele verte van mijn trommelvlies: “wij wij wij, geliefde, moedervlek, mandarijn, blauwe lucht, RRiinKKKttt”.

Wekker wekt, kus kus kus. Kust haar/mij/ik. Speekselrituelen die we samen spelen in de speeltuin van wellust: flikflooien. Petieterige snoeperd – wek mij, er zit nog zand onder mijn ogen.  Hij ademt. “Liefje, liefje”, ik bezwijk onder het walsen van woorden. Vat de lettergrepen in mijn kiezen. Elll ieee eeee efff jeee eeee. Verteer ze los. Lik ze hol met de spieren van je tong “baby, baby”. Verleng de tast die de zijne wordt genoemd. Draai mijn palmen achteloos, praktiseer het nonchalante proces: “liefje, liefje, pel mij los, weet mijn vochtigheid te vinden.” Fluweel, meisjesachtig vocht.

Vat dit even samen: meisje, mensje, wezen: ik ik ik staar, bedoel staarde uit het autoraam (herhaling of herinnering) in de autospiegel zie ik – mijn weerspiegeling: twee vlechtjes – ging wat meer voorover leunen.  Kleine vragenronde: Hoe was het? Goed geslapen? Leuk gespeeld? Lekker gegeten? Mijn stilte is een gewoonte. Haar (mijn moeder’s) oren waren al gesloten. Mijn kindermond vat speeksel van overspel, voelde het verdriet erin draaien. Dacht even terug aan wat de meester ons wist te vertellen “jullie zijn allemaal gewonnen”, iets over zaadcellen. Verdwaalde in de gedachten: ik ben een meisje, de winnares van iets (?). Herinner mij dat ik gewonnen heb. Beeld het je even in: ik hield mijn eigen hand vast, verplaatste mijn zicht naar die oh zo blauwe lucht. Dacht even dat ik mezelf kon bemoederen.

“Ik ben ooit moeder geweest,” zei ze.
“oh, baby baby with those winners’ lips.” zegt hij.

Haar/zij/ik/mijn wanden bekronen zijn eikel. Laat zijn zonden in deze huid sijpelen, streel. Kijk hoe ik mezelf streel. De cirkels van mijn opening - lik ze. Bij de verovering van zijn lengte ben ik morgen volstreken. De natheid van deze vaginale wanden. Zijn volledigheid in mijn mond gestoken. Ik had gewild dat de hitte in mijn handen de mogelijkheid zou bieden om doorheen zijn vlees naar botten te grijpen. Grijp ze. Ik ben mij bewust van mijn tepels, haar tepels. Laat even dit genot de realiteit voeden. Dat zij/haar/ik nu hier is. Dat ik nat ben, dat hij zich naar beneden werkt, zijn tong: zuigend, tastend, likkend, nu. 

“fijn fijn fijn; lief lief lief, vandaag komt zij/haar/ik je/hij/hem tegemoet.” 

Die moeders, die moeders die ons hun kinderen maken, die ons nog kinderen maken. Laat het nu over zijn. Laat ons voor elkaar elkaars moeder zijn.


Noa Elisabeth de Leeuw (2005) ging in haar praktijk als beeldend maker op zoek naar manieren om tekst in ruimte te plaatsen. Tijdens die zoektocht is ze bij het blad beland – in de breedste zin van het woord – en daar gebleven, waar ze speelt met tactiele taal en plastische grammatica om nieuwe vormen te bekomen. 

Meer van deze auteur