Val

Verhaal / 03.11.26

Lijm

Koen de Vries

Ik las in de krant dat er microplastics zijn gevonden in menselijke hersenen. Ongeveer 5000 microgram plastic per gram hersenweefsel. Op anderhalve kilo brein is dat ongeveer een legoblokje, zo’n rechthoekige, van twee bij vier noppen. Het plastic komt via ons eten, drinken en de lucht in ons systeem, zei het artikel. Het meeste scheiden we weer uit, een deel blijft hangen. De bloed-hersenbarrière lukt het niet het plastic te filtreren.

De eerste keer dat ik het vallen zag, liep ik over de campus. Voor mij liep een man. Hij was kaal en droeg een bodywarmer en dikke schoenen. Plots werd hij midden op zijn hoofd geraakt.
  ‘Gaat het?’ vroeg ik. De man hoorde mij niet. Met grote passen liep hij door.

‘HEMEL OF HEL?’ staat op een affiche bij de koffieautomaat. Ik pak het op en draai het om. De achterkant is leeg.

De gebouwen op de campus zien het vallen ook, beter dan de mensen. Ze trekken hun koppen in tussen hun schouders, drukken zwaar op de muffe kleigrond.
  Het is mistig buiten. Het vallen is makkelijk te zien wanneer het mistig is. Dan trekt het sporen in de lucht.
  Binnen wemelt het van de monteurs. Mannen met zwarte bodywarmers en dikke schoenen.
  ‘Komen ze het gebouw repareren?’ vraag ik Jorik. ‘De scheuren dichten?’
  Jorik schudt zijn hoofd. ‘Ze komen het ontruimen.’
  De toiletten hadden ze al leeggehaald. De wasbakken, de spoelknoppen. Er zitten gaten in de muur, wc-potten ontbreken en er hangt rood-wit gestreept lint waar eerst nog deuren zaten.
  De lift hangt halverwege tussen twee verdiepingen. Het paneel met de knoppen is eraf gehaald en de kabels die erachter zaten zijn weggeknipt.
  ‘Je kunt er gewoon in klimmen,’ zegt Jorik. Het is donker in de lift. ‘Je kunt je in de hoek verstoppen, daar ben je haast onzichtbaar. Als je lang genoeg wacht, val je vanzelf te pletter.’
  Er hangt geen lint voor.
  ‘Denk je dat hij uit zichzelf zal vallen of dat ze hem eerst los knippen?’
  ‘Weet ik niet,’ zegt Jorik. ‘Maar ik denk niet dat ze ons zouden zien.’
  Om beurten klimmen we de lift in. Eerst Jorik, dan ik. We zwijgen en we wachten. Op een rood waarschuwingslicht, op een alarm, op een monteur. Er gebeurt niets.

Een deel van het plastic verlaat ons lichaam via onze huid. Het vormt een dunne laag. Onder de douche of in de regen spoelt die van je af. Een ander deel verlaat ons lichaam via onze plas. Als je stopt met plassen, blijft het plastic in je bloed zitten. Je blijft het in je opnemen en uiteindelijk zitten je aders vol.

Ik vertel Jorik over het artikel dat ik had gelezen. Hij kijkt naar buiten, door de open liftdeur, via de onderste verdieping, uit het grote raam dat helemaal vanaf de begane grond tot aan de vierde reikt. Hij haalt een hand door zijn haar, wrijft in cirkels over zijn hoofd. ‘Een hele legosteen.’
  ‘Ja,’ zeg ik.
  ‘Dat is niet eens zo veel.’
  Op de bovenste verdieping lopen twee monteurs voorbij. In hun armen dragen ze een ladder. Ze zetten hem neer en een van hen klimt erop, uit ons blikveld. De ander houdt de ladder vast. Een boormachine zoemt en de onderste monteur reikt om iets van die op de ladder aan te nemen. Een ventilatiebuis. Hij laat hem op de grond vallen. Opnieuw klinkt er gezoem.
  ‘Of we moeten juist zoveel mogelijk microplastics eten. Misschien is dat de oplossing.’
  ‘Waarom?’
  ‘Alles valt toch al uit elkaar,’ zegt hij. ‘Tenzij je het oneindig maakt.’
  We zwijgen. Het zoemen van de boor en bonken van de buizen op de grond galmt door de lift.
  ‘Zie jij het vallen ook?’ vraag ik dan.
  ‘Nee,’ zegt Jorik. ‘Maar ik voel het wel.’

Je ziet het vallen vaak rond mensen. In hun voetsporen, om hen heen, op hen. De lijnen van het vallen wijzen meestal naar hun hoofd. Als je goed kijkt, zie je het overal. Op de grond, in het gras, wanneer het ritselt terwijl het windstil is. Of in het water. Als de dingen neerkomen zie je kleine rimpelingen.
  Ik probeer soms te ontdekken waar ze vandaan komen. De dingen. De lijnen. Ze flitsen voorbij en je verwacht het elke keer maar tegelijkertijd ook niet. Ik leg mijn hoofd in mijn nek en staar naar de hemel. Het is me nog niet gelukt zo iets te zien.
  Ik wil een gat graven. Ik wil er met blote voeten in gaan staan, mijn ogen sluiten, me schrap zetten, uitgroeien tot boom. Ik wil het vallen vangen met mijn bladeren, zodat het de grond niet raakt.

Ik trek mijn knieën op, sla mijn armen er omheen.
  ‘Hemel of hel?’ vraagt Jorik plots.
  Ik kijk hem vragend aan. In zijn handen net zo’n affiche als ik eerder in mijn zak stopte. Zijn vingers glijden langs een vouw, strijken het plat. Hij legt het op de grond en schuift het naar mij.
  ‘Voorlopig gaan we geen van beide kanten op,’ zegt hij. Hij zucht en legt zijn achterhoofd tegen de liftwand.
  ‘In elk geval voelen we hier het scheuren niet,’ zeg ik.
  Jorik knikt. ‘Misschien is dat juist het probleem. Als we ze willen lijmen kunnen we niet wegkijken.’
  ‘Lijmen?’
  ‘Dichtslibben.’ Jorik staart in de spiegelende liftwand. Hij opent zijn mond, maar sluit hem weer zonder iets te zeggen. ‘Ik ben er eigenlijk wel weer klaar mee,’ zegt hij dan en hij klimt de lift uit.

Als je het plastic te lang op je huid laat zitten, kapselt het je in. Op de plekken waar het door je poriën wordt uitgescheiden ontstaan bobbels. Je zou denken dat ze grip geven, maar dat is niet zo. Je wordt alleen maar gladder. Je probeert het schoon te maken, maar je bent te laat.

Ik heb ooit medestudenten gevraagd of zij het vallen ook zagen. Andere dan Jorik. Ze vroegen: ‘Wat bedoel je met “de dingen”? Van die prullenbakken die aan de muur hangen, schilferend plamuursel, fietsen, takken van een boom?’ Ja, dat hadden ze wel zien vallen. Ik knikte dat ik hen begreep. Ze vroegen of ik dat bedoelde. We zaten op de derde verdieping te studeren. Ik staarde uit het grote raam. Een fietser werd getroffen en viel van zijn fiets. Ik zei dat ik het niet zeker wist.

Jorik staat met zijn handen in zijn zakken naast de ladder met de twee monteurs.
  ‘Ik vroeg of ze hier zijn voor de scheuren,’ zegt hij.
  ‘En?’ vraag ik.
  ‘Ik denk het wel.’
  ‘Wat zeiden ze?’
  ‘Niets.’
  ‘Misschien komt het door het vallen,’ zeg ik.
  ‘De scheuren?’ Jorik draait zich naar me om.
  ‘Dat ze niet reageren.’
  ‘Misschien het scheuren ook wel.’

Als je goed luistert, kun je de gebouwen horen kreunen. Ze hebben pijn en daarom maken ze geluid. Langzaam scheuren ze uit elkaar. De scheuren beginnen vaak op de bovenste verdieping en kruipen langzaam door muren en pilaren naar beneden. Ze krioelen over de begane grond, op zoek naar een harde plek om ondergronds te gaan en ontsnappen dan uit het gebouw. Ze verspreiden zich, trekken door de campus, kreukelen de straten.

‘Hoe maak ik iets oneindig?’ vraag ik Jorik. Hij haalt zijn schouders op.
  ‘Je moet leren zweven,’ zegt hij. ‘Stil hangen in de tijd. Dat is de enige manier. Je kunt proberen om een scheur te lijmen.’
  ‘Denk je?’
  ‘Als je je vlees en al je plastic gebruikt kun je hem vullen. Misschien moet je jezelf in duizend repen scheuren en jezelf bij al zijn vertakkingen naar binnen wurmen. Als we hun randen niet bij elkaar trekken verliezen alle lichamen.’ Jorik kijkt me strak aan. Zijn lippen een korte, rechte lijn, zijn wenkbrauwen ontspannen. Er wijzen lijnen van de dingen naar zijn hoofd. ‘We moeten toch iets proberen.’
  Alsof het gebouw ons hoort, trekt het zichzelf luid krakend uit elkaar tussen mijn voeten. Ik zet een stap opzij. Trillend schiet een scheur dwars door drie verdiepingen naar de begane grond. Gruis tuimelt naar beneden.

Om je lichaam groeit een plastic rand. Je merkt het niet, het plastic is heel dun. Het schermt je van de buitenwereld af, zodat het je lichaam voor zichzelf heeft. Het begint in je bloed en je cellen en daarvandaan kruipt het naar buiten. Vormt een laagje. Als je het lang genoeg laat zitten, werkt het zich opnieuw naar binnen toe, tot je geheel van plastic bent.
  Jorik knikte, hij was het met me eens. Met dit en met al het andere.

Langzaam wordt de campus grijs. De gebouwen, de mensen. Ze zien niet dat hun kleur weg sijpelt, maar het gebeurt wel. Hun kleur glipt door de scheuren heen. Alleen de bomen blijven zo groen als ze altijd al waren. Hun bladeren vangen het vallen van de dingen op om de wortels te beschermen en wortels zijn geïnverteerde scheuren.
  De monteurs in het gebouw bewegen zich naar buiten. Het is niet zo dat er minder zijn dan eerst, het is dat er een stroming was en die is omgedraaid. Het is dat, of de tijd gaat achteruit voor hen.
  Ze zullen bijna klaar zijn.

‘Ik begrijp niet waarom de dingen niet de scheuren vullen,’ zeg ik. We staan met onze handen in onze zakken en kijken naar beneden. Op de begane grond lopen mensen met bodywarmers onder de scheur door zonder het door te hebben. De vloer van de begane grond barst ook. Ze lopen eroverheen en ze zien het niet.
  Jorik haalt zijn schouders op. ‘Het plastic kleeft wel, maar het plakt niet.’
  ‘Denk je dat het daarom scheurt?’
  Hij kijkt me aan, knippert, staart met grote ogen door me heen.
  ‘We zijn zoals een spons,’ zeg ik. ‘Mensen. We vangen op. Gebouwen zijn ook sponzen, maar anders.’
  ‘Gebouwen knijpen uit,’ mompelt Jorik.
  ‘En de dingen zijn als zand.’
  Traag knikt Jorik me toe.
  In één ruk splijt de vloer van de begane grond zichzelf ook open. De scheur loopt de aarde in tot het donker is en je de bodem niet meer ziet. De mensen merken het nog steeds niet op, maar stappen er toch precies overheen.
  ‘Ik denk niet dat lijmen zin heeft,’ zeg ik. Ik ga zitten op een stoel en staar uit het grote raam. Het glas rimpelt, golft, wappert, zuigt het uitzicht in zich op en perst het in twee dimensies. Buiten lopen mensen met dikke jassen. Ze gaan naar binnen. Ze kijken op hun telefoon en zien niet dat we uit elkaar vallen. De gebouwen. De mensen.
  Sommigen zullen worden opgegeten als ze hun jas uittrekken. Ze verdwijnen in de scheuren en kijken er niet eens van op.
  Sommigen worden tijdloos. Ze vergeten zich te wassen en worden stram en stijf tot bewegen niet langer lukt en dan zullen ze verdwijnen in de tijd. Als je niet verandert maak je ook geen rimpeling en zonder rimpeling is het maar de vraag of je echt bestaat.
  Je moet blijven plassen.
  ‘Heb je zelf een voorkeur?’ vraagt Jorik.
  Ik haal mijn schouders op. ‘Ik wacht tot ik ontruimd wordt.’
  ‘Wij worden niet ontruimd.’
  ‘Dan blijf ik tot het eind,’ zeg ik. ‘Meer kunnen we niet doen.’

Koen de Vries (2001) studeert wiskunde aan de Radboud Universiteit en is in het collegejaar 2026/2027 ook de campusdichter. Eerder verschenen zijn teksten ook onder andere op Hard//hoofd, Elders Literair en online bij De Revisor. In 2025 was hij finalist bij Het Rode Oor en in 2026 won hij de categorie Weird Fiction van de Interuniversitaire Literaire Prijs. Koen is onderdeel van Collectief Klinkerbak en zit daarnaast in de organisatie van poëziefestival Onbederf'lijk Vers.

Meer van deze auteur